Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze banen geleid, niet totaal onvruchtbaar genoemd behoeft te worden.

Een algemeene aanwijzing voor de herkomst van vele der gegevens is te vinden in het „voorwoord aan den lezer", luidend: „(Het onderzoek) valt oock dickwils swaer en ondoenlijck, want al vraeght men yemandt van zijn eyghen Vader, wanneer hy gheboren en ghestorven is...," niet altijd weet de nabestaande zelfs dit weinige mee te deelen. In deze ontboezeming is de algemeene aanwijzing vervat, dat van Mander bij zoons, kleinkinderen . in 't kort, de nabestaanden , om inlichtingen ging. Waar deze dus (doch niet uitdrukkelijk als bron) genoemd worden, heb ik toch gemeend deze nabestaanden als zegslieden aan te mogen merken.

Een tweede kategorie menschen, tot welke van Mander zich dikwijls wendde, zijn de nog in leven z ij nde leerlingen van reeds overleden meesters. Als typen zou ik hier b.v. aanhalen: Albert Simonsz., Jacob Rauwert, Bartholomeus Ferreris, e. a.

Vervolgens komen in aanmerking dein 1604 nog levende schilders, die van Mander in het tweede hoofdstuk (zie bldz. 32) behandelt, en welke, behalve inlichtingen over hunne meesters, ook mededeelingen, hun eigen persoon betreffend, hebben gegeven. Ik kan ter bevestiging van dit beweren verwijzen naar een passage in het Leven van Francesco Badens (fol. 298A), luidend: „lek had meer dinghen moghen aenwysen: doch dit heeft my verhindert / dat ick teghenwoordige Schilders oft Constenaren heb ghevonden so heel weygherlijck segghende niet ghenoechsaem in de const te wesen / om verdienstlijck by ander groote meesters te wesen gherekent." — Wel is waar zijn beide aanwijzingen gedaan naar aanleiding van magere of misschien zelfs negatieve resultaten, maar zij blijven desniettemin positieve getuigenissen afleggen van de door van Mander gevolgde methode van onderzoek: dergelijke negatieven toonen juist wat thans-ontbrekende

Sluiten