Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

positieve verklaringen zouden bevat hebben. Daarom is liet zeker niet te gewaagd voor alle in 1604 n o g 1 e v e n d e schilders aan te nemen, dat zij zeiven de inlichtingen over eigen leven, werken enz. gaven; temeer, daar dit tweede hoofdstuk op een enkele uitzondering na, enkel Haarlem sche en Amsterdamsche schilders behandelt.

Hebben , zooals we zagen , leerlingen inlichtingen gegeven over hunne afgestorven meesters, omgekeerd weet van Mander van de meesters opgaven te verkrijgen over leerlingen of medebentgenooten in een vreemde ip 1 a a t s.

Ik heb zelfs gemeend verder te mogen gaan en er op te wijzen, dat vermelding of beschrijving van schilderijen in plaatsen, waar van Mander zelf nooit geweest is, (b.v. Dantzig, Londen) kan worden beschouwd als te geschieden op gezag van vrienden, die, zooals wordt meegedeeld, geruimen tijd zich in die plaatsen hebben opgehouden of aldaar gewerkt. In enkele gevallen zegt van Mander dit ook zelf; b.v. bij het opnoemen van teekenwerk van van der Straeten, dat Goltzius te Napels getoond werd; of, nog duidelijker, waar Zucchero als bron voor vermelding van Holbeiti's schilderwerk te Londen genoemd wordt.

Al dergelijke gevallen kategorisch te rangschikken en in te deelen, scheen mij niet gewenscht. Vooreerst omdat daardoor licht de indruk zou verkregen worden, dat nu ook buiten de aangewezen bronnen geen andere zouden kunnen geraadpleegd zijn; iets, wat in aanmerking genomen de door van Mander gevolgde methode, zeer goed mogelijk blijft. Alleen is het mij onmogelijk die bronnen thans nader aan te duiden; evenals den zegsman op te speuren van nog andere, hoewel niet zoo talrijke, mededeelingen, waarvan de herkomst een raadsel blijven moest.

I'cn practisch bezwaar voor een dergelijke indeeling is ook, dat éénzelfde persoon veelal als bron aan te wijzen is voor zeer verschillende soorten van mededeelingen; zie b.v. onder Spranger en Goltzius.

Sluiten