Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Druyvesteyn [Aert Jansz.] (fol. 300^)

is een der jongere schilders, die van Mander te Haarlem kende.

Ferreris [Bartholomeus].

Over de kunstcabinetten van dezen „konstbeminder" te Leiden, zie men Bijlage I.

Evenwel stond van Mander niet alleen diens verzameling ten dienste, maar had hij ook in genoemden verzamelaar een goede bron voor de Levens van eenige schilders. Wij lezen n.1. in de opdracht der Italiaansclie schilders aan Ferreris: „ Doch is niet van doen, dat ick wijder onser Consten deughden V. E. om tot luier ontsteken in liefden, voorhouden soude; die doch haer heel toeghedaen zijt, door ghenoechsaem kennis, dieV. E. (als selfs constigh oeffenaer by lust) onder uytnemende Meesters, als, Antonius Moro, Pieter en Francisco Pourbus, heeft ghecreghen."

Wat Moro aangaat, vergelijke men fol. 231 b\ „Met grooter moeyt heb ick dus veel van Moro bijeengebracht / sonder te connen vercrijghen door eenighe van zijn kinderê / daer ick

beleefdlyck aen versocht hadde " Zie eveneens onder Cognet,

bldz. 144.

Frans Pourbus kende van Mander ook persoonlijk (fol. 257#).

Floris [Cornelis] (fol. 299#).

De zoon van den ouden Cornelis Floris, architect te Antwerpen en broer van Frans Floris. Hem noemt van Mander bij de jonge schilders, die hij te Haarlem kende, al woonde hij ook in 1604 te Antwerpen „alwaer zijn const niet ghenoech nae verdienst noch bekent noch beloont en is." Bekendheid met deze bijzonderheid wijst m. i. er op, dat van Mander met den jongen Cornelis in relatie bleef, misschien langs dezen weg inlichtingen over vader en oom ontvangend.

Sluiten