Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

.... Joorisz. (fol. 226a).

Bedoeld is een ongenoemde broer van Augustijn Joorisz., schilder van Delft. Deze broer, een goudsmid, bezat eenige schilderijen van den jonggestorven Augustijn. Daar van Mander zeer nauwkeurige opgaven kan doen omtrent Augustijn's geboorteen sterfjaren, bovendien bijzonderheden over diens treurig uiteinde, schijnt het bijna zeker, dat deze en dergelijke inlichtingen ingewonnen werden bij een familielid. In dit geval dus bij den niet met name genoemden broer, bij wien Augustijn na zijn terugkomst uit Frankrijk aan huis kwam werken, enz.

Isely (fol. 220b 221 a).

Erfgenaam van Doctor Ammersbach te Basel, die inlichtingen had kunnen geven over Holbein. Pogingen van van Mander schijnen echter afgestuit op winzucht van genoemden Isely. Het blijkt niet of van Mander het gevraagde honorarium toestond: waarschijnlijk niet; hij is althans ten hoogste gebelgd over Isely's eisch: „eenige meenen of hy most heeten Doctor Esely: dan ick docht / den Man is ghelyck zijn Landt / onbeweeglyck als de Switsersche rootsen."

Ketel ') [Cornelis] (fol. 274b—28cw).

m V. E. weet wel, dat noyt tusschen onse kennis en

vriendtschaphoudinge, van over ontrent twintigh Iaer, yet is gheweest, dan een hertlycke toegenegenheyt elckander lief en nut te doen, en onderlinge vrientschap en weldaet te bewijsen."

Alzoo spreekt van Mander in zijn opdracht der „Wtbeeldinghcn der Figuren," waaruit duidelijk beider vriendschap spreekt.

Dat Ketel ook veel op had met van Mander's voornemen blijkt dan ook uit de zéér nauwkeurige inlichtingen, die hij voor zijn eigen Leven gaf. Daarbij komen nog een twintigtal proeven van Ketel's dichtkunst in den tekst ingelascht. Vermoedelijk is ook het lofdicht op een schilderstuk van Lucas van

') Over Ketel: Obreen's Archief VI bldz. 100—107.

Sluiten