Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Leiden („De blinde van Jericho"), in Goltzius bezit, van Ketel's hand (fol. 213#).

Doch niet alleen voor zijn eigen levensbeschrijving, maar ook voor die van andere schilders leverde Ketel inlichtingen.

In de eerste plaats wel over Jeroon Francken, Apert Francen, Hans de Mayer en Denys van Utrecht, met welke schilders hij in Parijs samenwoonde (fol. 274b).

Vervolgens Ketel's leermeesters: z ij n 00 m te Gouda, B1 o c klandt en te Parijs Joan de la Hame. Eenige karaktertrekken van Blocklandt kunnen hem bijgebleven zijn b.v. aangaande diens typische „manier des levens" (fol. 254^).

Daar verteld wordt, dat een vriend van Ketel's oom te Gouda was Dirck Pietersz. Crabeth1), is het zeer waarschijnlijk, dat de vermelding van eenen Ariaen Pietersz. Crabeth en diens vader Krep el Peter 2) op fol. 227b aan Ketel te danken is.

Ook is aan Ketel de vermelding toe te schrijven der daarop volgende vier Goudsche schilders: Cornelis, Hans Bamesbier, Simon Jacobsz. en Cornelis de Visscher. Ook van Swart Jan te Gouda.

Van Ketel's bekenden wordt fol. 257# Pieter Balten, schilder te Antwerpen, genoemd: „ Cornelis Ketel van der Goude / en hy / hebben malcander t'somtijts met Ghedichten en Liedekens besocht."

Niet alleen voor personen, ook voor schilderijen enz. is van Mander waarschijnlijk ingelicht door Ketel. Zoo kan gewezen worden op de schilderwerken van Hans Hol bei n te Londen; volgens fol. 257# toch, vertoefde Ketel in deze plaats van 1573 — 81.

Zoo ook schilderwerk van Blocklandt te Gouda en Delft (fol. 254^), van Jan Gossaert een H. Maria „naemaels ghesien ter Goude by den Heer van Froimont" (fol. 225^). Eveneens schilderwerk van dezen te Londen (fol. 226#).

') Over de familie Crabeth en de verhouding tot Ketel, Obreen's Archief VI bldz. 100.

-) Over Krepel Pieter, Obreen's Archief VI bldz. 279.

Sluiten