Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mostart melding gemaakt wordt van het plotseling overlijden van den laatstgenoemde, toen Spranger n.1. nauwelijks 14 dagen bij hem in de leer geweest was (fol. 268$ en 261a).

Ook fol. 269a, waar verteld wordt, dat Spranger als leerling kwam bij Cornelis van Dalen, die veel landschappen schilderde „waar in ander / te weten / Gillis Mostart.... de beeldekens in maeckte."

Verder blijkt dat Spranger kennis gemaakt heeft met Jacob Wiek ram, leerling van Bocxberger. Met dezen jongen schilder ondernam hij de reis naar Rome.

Ten slotte blijkt, dat Pilgrim (fol. 273$) een goed vriend van Spranger was.

Toen Spranger in 1602 een reis door de Nederlanden maakte, sprak van Mander hem na lange jaren weer (fol. 274a) en kon toen veel wetenswaardigheden aangaande buitenlandsche en in het buitenland vertoevende Ncderlandsche schilders opgedaan hebben (b.v. van Aken, Heinz., Adriaan de Vries, Hoefnagel).

Men zie voor Spranger ook bldz. 11 seqq.

Suycker [Niclaes] (fol. 229b).

Een bron voor het Leven van Jan Mostart is zeker geweest „zijn soons soon d'Heer Niclaes Suycker", die behalve de interessante collectie schilderijen van de hand van zijn grootvader ook den adeldomsbrief, waarvan fol. 229b sprake is, in bezit had (zie bldz. 128).

Zuccaro [Frederik] (fol. 222b).

Door tusschenkomst van Goltzius vernam van Mander, zooals hijzelf erkent (fol. 223# seqq) vele bijzonderheden omtrent H a n s Hol bei n en diens werken te Londen. De levensbeschrijving van den Italiaanschen schilder vindt men fol. 177 seqq. Dóór wordt in geenerlei wijze op Zuccaro als copist van Holbein gedoeld.

Sluiten