Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Veen [Pieter] (fol. 295# en 301^).

In den Appendix vult van Mander de berichten, die hij (fol. 295^) over Octavio van Veen geeft, aan met enkele gegevens omtrent leeftijd, leertijd, enz. Daar • dit eerst in den Appendix geschiedt, vermoed ik, dat hij deze bijzonderheden eerst toen hij te Amsterdam kwam wonen, vernomen heeft van van Veen's broer Pieter van Veen, met wien van Mander naar 't schijnt bevriend geweest is; althans is er vóór in het Schilderboeck onder de lofdichten één van dezen Pieter te vinden.

Vermeyen [Hans], t

,, [Maria] (Weduwe van Pieter Cappoen) < 224^Te Middelburg leefde nog in 1604 de dochter, en, te Praag, de zoon van den schilder Jan Vermeyen. Beiden bezaten eenige schilderstukken van hunnen vader, de dochter zelfs een vijftal, waaronder eenige familieportretten. Zéér waarschijnlijk is van Mander door de dochter, misschien ook door den zoon, ingelicht: zoo b.v. omtrent den sterfdag.

Vinck-Boons [David] (fol. 299^).

Dezen jongen schilder heeft van Mander waarschijnlijk persoonlijk gekend, evenals zijn vader Philip Vinck-Boons, die in 1601 te Amsterdam overleed. In hoeverre deze Philips inlichtingen kan verschaft hebben over de schilders te Mechelen (fol. 22Sa 229a), welke stad hij in 1578 verliet, laat zich niet beslissen.

Vlerick [Pieter] (fol. 249*7).

Het levensbericht van van Mander's tweeden leermeester is geheel opgebouwd uit eigen herinneringen van den auteur, die in 1568/69 te Kortrijk en Doornik bij hem gewoond en gewerkt heeft. Hij heeft Vlerick hooren vertellen over diens leermeesters Carel van Iperen en Jaques Floris. Zeer waarschijnlijk vernam hij daar ook eenige der talrijke verhalen en anecdotes over Frans Floris (cf. fol. 250#).

Sluiten