Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liet levensbericht van Sp ra nger bevat enkele aanwijzingen, dat van Mander's eigen herinnering sprak. Zoo de beschrijving van den intocht van Rudolf II in Weenen, toen Spranger zijn vriend uit Krems ontbood (fol. 272a). Dan de bijzonderheden van hun gemeenschappelijk verblijf te Rome. Ook de vermelding van den beeldhouwer Hans Mondt, „van jonghs aen mijnen bekenden vriendt" (fol. 277*). Ten slotte de vermelding van de feesten ter eere van Spranger in 1602 te Haarlem gegeven.

Ook de anecdoten van zijn vriend Hendrik Goltzius worden uit eigen herinneringen gegeven. Men vindt ze fol. 286^. Verder waren Haarlemsche vrienden Vroom en Cornelis C o r n e 11 s z. Den eerste bezorgde van Mander werk voor Spicrinx (fol. 28S<?); den tweede zegt hij reeds kort na zijn aankomst te Haarlem te hebben leeren kennen. Trouwens hoe verder wij komen 111 de levensbeschrijvingen der toenmaals nog levende schildeis, hoe meer reden wij hebben de gedane mededeelingen op rekening van des schrijvers herinneringen te stellen, daar hij met velen hunner dagelijks omging en meeleefde. Ik wijs slechts op Ketel, Bloemaert en Vinck-Boons. Doch des te moeilijker wordt het ook nauwkeurig af te scheiden waar de eigen herinneringen beginnen en de mededeelingen van de personen zeiven eindigen.

Derhalve zal ik mij beperken tot de levensbijzonderheden der in het buitenland vertoevende schilders: HansSoens, Pieter de Witte, Paulus en Mattheus Bril.

^ Den eerste en den laatste heeft van Mander persoonlijk te Rome gekend (zie bldz. 11) evenals Pieter de Witte en een zekeren Hendrik in de Croon te Florence. Wat hij van dezen zegt, betreft grootendeels hun leven en werken in Italië uit den tijd, dat van Mander zelf ook nog aldaar vertoefde. Zeer waarschijnlijk moeten wij dus deze bijzonderheden grootendeels op rekening van eigen herinneringen zetten.

Ten slotte herinnert zich van Mander nog in het buitenland gekend te hebben Gaspar Huevick, Herder uit Groningen en Frans Stellaert (fol. 295^).

Sluiten