Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aantal bezitters van stukken tezamen gemiddeld

4 6 24 2 816

1 9 9

1 12 12

1 15 15

2 17 34 1 23 23 1 35 35 1 39 39

14 207 14785

Hierbij zijn nog niet gerekend de schilderstukken in openbare gebouwen bijeengebracht in een 50-tal steden en dorpen, niet minstens dubbel zooveel openbare gebouwen, ten getale van 201 kunstwerken, dus ongeveer gemiddeld twee in ieder gebouw. Terwijl er dan nog 51 schilderstukken genoemd worden in 18 steden zonder verdere aanduiding van eigenaar.

Minstens zoo groot is het aantal prenten door van Mander vermeld, terwijl dan nog een beduidend, hoewel lang niet zoo beduidend aantal kunstvoorwerpen van anderen aard (glas-,

borduur- en beeldhouwwerk), genoemd wordt.

*

* *

Reeds is er bldz. 30 op gewezen, dat van Mander zijn Scliilderboeck bijwerkte tot het jaar van de uitgave, 1604. Ook wat de schilderijen betreft. Enkele schilderstukken uit dien tijd na 1600 worden nog uitdrukkelijk met het jaartal vermeld. Toch schijnt het mij toe, alsof deze completeering niet systematisch geschiedde, doch dat het toeval hierbij een groote rol speelde.

Een vergelijking der volledige lijst van schutterstukken leert namelijk, dat van Mander geen schutterstukken vermeldt na 1588 geschilderd, niet de Aert Pietersz. van 1599, niet de werken van zijn vriend 1'ieter Groots van 1596 en 1599; zelfs gaat hij een meester als Christianus de Conflans (1595) met

Sluiten