Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stilzwijgen voorbij. Een uitzondering maakt de schilderij van Gerrit Pietersz., in den Appendix vermeld als in 1604 geleverd, dus wellicht nog op het atelier van den schilder gezien.

Waarschijnlijk heeft van Mander dus sedert 1595 op zijn laatst de schilderijen op de Amsterdamsche Doelens niet meer gezien, wat voor den tijd, dat hij zijn bouwstoffen verzamelde,

niet zonder betcekenis is (bldz. 32).

*

* *

Behalve in den ruimeren zin, waarin het woord „bron" hier gebruikt is, dient er op gewezen, dat sommige kunstwerken door een inscriptie, een rand- of bijschrift ook tot de bronnen in engeren zin gerekend kunnen worden, omdat ze ook tot de directe levensbeschrijving hebben bijgedragen.

Zoo vindt men:

In het Leven van Aldegrever (fol. 22ja) de vermelding van een Selbstportriit, waarin van Mander „acht zijn ouderdom ghesien oft gheboort-tijt ghcraemt can werden." Niet uit te maken blijft of van Mander B. 188 of 189 bedoelt.

Zijn werktijd wordt benaderd uit de jaartallen 1538 en 1551 , voorkomend op B. 144—151 en 152 159-

In het Leven van Dirk Bouts (fol. 206^). „Hij moet oock een tijdlang te Leuven gewoont hebben" zegt van Mander „want ick hebbe ghesien binnen Leyden / van hem een stuck met twee deuren .... onder stond met gulden letters gheschreven in Latijn dees meeninghe: Duysent vier hondert en twee en tsestigh Jaer nae Christus gheboort ƒ heeft Dirck, die te Haerlem is gheboren / my te Loven ghemaeckt / de eeuwighe rust moet hem ghewerden."

*

* *

In het Leven van P ie ter Coecke van Aalst (fol. 218 ab) vertelt van Mander, dat deze omtrent het jaar 155® stierf. Achter de serie houtsneden, die van Mander stuk voor stuk

Sluiten