Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over zijn manier van werken zegt van Mander: (fol. 22yb): „waer te wenschë / hy niet so confuys had geweest in zyn lakë / met te seer te krokë en vouwë."

cf. „Grondt der Edel vry Schilderconst" (fol. 43b)\

bysonder Aldegraef, die t'overvloedich In dit kroken hem misgaen heeft abuysich /

Dats de manier / die men heet confuysich."

Augustijn Joorisz. [fol. 226^].

„Vijf stucken, daer hy hem zei ven grooten naem heeft ghemaeckt."

„S. Anna gheslacht." „Is tot synen broeder te Delft, een Goutsmit en wordt seer ghepresen."

Te Parijs, bij Pieter de la Cuffle, sneedt hij:

„de dry Spinsters van Rous." ')

„eenen viercanten Hemel van onder op te sien."

de Backer (Jaques). [fol. 231^—232a],

* „Adam en Eva."

* „Charitas."

* „Crucifix."

Alle drie bij Melchior Wyntgis te Middelburg. Blijkens fol. 242a en 246/; kende van Mander diens collectie.

* Venus; Juno; Pallas. „Tot eenen Sr Oppenbergh."

„Staende beelden," halve levensgrootte. Op den acliteigrond hare attributen, dieren, kleedij.

Badens (Francesco). [fol. 298b—299#].

* „Barsabea." Ten huize van den schilder anno 1604 gezien.

„Een paslijck groot stuck." „Haer badende / alwaer haer eenen brief werdt ghebracht j en een oude coppelersse haer vast in d'oore veselt oft luystert / met meer Vrouwe naecktë."

„Conterfeytselen, Mascaraden, Bancketten." Zonder verdere aanduiding van onderwerp of plaats.

Auctie Hamer, Stockholm, een vrijend paar. 2)

') Zie Hymans I, p. 241, n. 3. 2) Cf. Bode, Studiën S. 165.

Sluiten