Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

* ,, Mary beeld eken."

Een klein stukje „Met een kindeken / t' welck de borst weygert / en valt nae t' cruys / t' welck hem van een Enghel voorghehouden werdt."

* „Ch ristu s."

Eveneens klein. Christus weenend op een steen, twee engeltjes naast hem.

Eveneens voor Razet; „dat welck Razet verhandelt heeft aen de Jode en is teghenwoordigh te Antwerpen."

* „Arbeidt." Zeer uitvoerige beschrijving; 16-regelig bijschrift. „Dit is wel het uytnemenste sonder reetschap van hem ghedaen." Voor Willem Jacobsen te Amsterdam; 2-regelig versje.1)

* „Een Judith." „Voor corts ghedaen" voor Christoffel Dircksen Pruys te Amsterdam.

„Meer als half lijf."

* „Een Da naë." Te Dantzig, waarvan de schets nog bij Ketel aan huis was. Meegedeeld wordt een anecdote van een boer, die het voor een voorstelling van Maria-boodschap hield.

Een groot stuk met levensgroote Danae, „die op een schoon cierlijcke bedstede light naeckt met de beenen van een." Cupido's, gouden regen etc.

* Boetseerwerk (fol. 277^) in klei en was „op zijnen winckel te sien."

Al deze werken, uitgezonderd die Ketel in zijn jeugd in Engeland vervaardigde, heeft van Mander zelfgezien, sommige zelf zien maken. Somtijds vermeldt hij dit uitdrukkelijk, terwijl uit de overdreven minitieuse en langgerekte beschrijvingen volgt, dat deze op autopsie berusten.

Key (Willem), [fol. 232#—233^].

* Schilderij op het stadhuis te Antwerpen met „portretten

van de Heeren van der Stadt." Verbrand in 1576. Naar

de beschrijving te oordeelen kan van Mander dit schilderstuk

zelf hebben gezien.

Levensgroote figuren. „Bove in de hooghte quam Christus met Enghelen en anders."

*„Het Kramers altaer." „In ons Vrouwenkerck te

') Zie Hymans II p. 163 n. 2.

Sluiten