Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

* [fol. 2420] naar teekeningen van Simon Jansz. Kies, volgens de schilderijen van Heemskerck, die bij Claes Jonglingh „in zijn nieuw ghebouw in Marc-graven Leye" te zien waren. Naar deze gravures liet Ketel zijn leerling Isaac Oserijn teekenen [fol. 280a].

Coxie (Michiel) [fol. 258^—2590].

„Een Verrijsnis." „Tot S. Pieters te Room."

„Andere, in de Duytsche kerck tot S. Maria de la Pace."

Het is niet uit te maken of van Mander dit mededeelt op gezag van Vasari, die over Coxie's werken te Rome op drie plaatsen nog al uitvoerig is (IX p. 293, X p. 127 en XIII p. 149), of dat van Mander ze vaag beschrijft volgens eigen herinnering.

Thans nog in de Santa Maria dell' Anima een legende van St. Barbara.

* „Crucifix." Een altaartafel te Halsenberg, even buiten Brussel, „daer menigh Constenaer dickwils uyt Brussel quam om te sien." Door Thomas Werry, „die veel meer fraey dinghen uyt Nederlandt in Spangien overbracht" aan Granvelle en Philips II verkocht.

Een groot stuk.

Thans Madrid, Escuriaal.

* „De sterf-dagh Mariae." In St. Gudule te Brussel.

Thans Madrid, Koninklijk Museum, nos. 1300— 1302.

Twee deuren aan het St. Lucas-altaar te Mechelen, geschilderd door Bemard van Orley. Medegenomen door Aartshertog Mathias. Zie onder Gossaert en van Orley.

* „Een S. Sebastiaen." Altaartafel in „ons Vrouwkerck" te Antwerpen.

Thans Antwerpen, n°. 371 (cat. Lafenestre) ged. 1575; 2.64 X 2.37-

* „Een Avontmael." In St. Gudule te Brussel.

Thans Brussel n°. 118 (cat. 1900) Triptiek: 2.75 X 2.45 en 1.00.

Van zijn copieën noemt van Mander:

[fol. 200b\. De copie van den Agnus Dei.

14

Sluiten