Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

YValdemar.

Ik haat hem niet, maar 'k mis den vrijen blik,

Het open woord in hem, dat vrienden maakt.

Hij is schuw en bergt iets heimlijks in zijn hart.

Sophia.

Zóó wordt men in de eenzaamheid. Gij komt Van 't Duitsche hof, waar 't druk gebeuren kort Den dag en 't vrij verkeer vrijmoedig maakt.

Ik vrees, de stilte maakte ons allen schuw.

Tweede tooneel.

Knud is ongemerkt binnengetreden.

Knud. Gij beiden hier nog? Ja, ja, het jonge volk, dat mint, ver geet den tijdl (Hij zet zich in een der zetels bij het vuur), 't Werd stil op 't slot, sinds de laatste gasten gingen.

Sophia. Die stilte was ons welkom. Wij spraken ongestoord nog eenmaal, voor hij gaat.

Knud. Ja, ik begrijp u. O, geloof me, ik zie zoo gaarne u samen. Twee menschen in 's levens aanvang, mijn jongste zuster en de hertog van Sleeswijk ... dat te zien geeft kracht. (Op veramierde toon;) 't Is laat reeds... (tot Waldemar) morgen gaat ge ?

Waldemar. In den middagstond, het moét. Alles is gereed.

Knud. Ik moet nog spreken met u, voor gij gaat.

Sophia. {zacht tot Waldemar) Wat spreekt hij vreemd, (luid) Ik zal zien naar 't avondmaal.

Waldemar. Ze ging reeds.

Knud. Zet u hier (Waldemar zet zich bij het haardvuur). Ik moes1 met u spreken, vóór gij heengingt. Wij zullen broeders zijn, Waldemar, en al sprak ik zelden ongestoord ook met u in den tijd, dat gasten toefden op Wiborgslot, genoeg ken ik u om fier te zijn op uw verwantschap met ons geslacht. Want ik reken u reeds een verwant. (Hij reikt hem de hand).

Waldemar. Gij biedt mij hooge eer, Knud, licht te veel, wijl ge mij niet kent.

Knud. Neen, wie mijn jaren heeft en aandachtig leefde, weet te wegen en te schatten naar waarde. Broeders zullen wij zijn maar verwanten zijn wij reeds door onze plaats in Denemarken. Daarom voegt het, meende ik, dat wij broederlijk spreken, voor gij gaat.

Waldemar. Ik wenschte, dat gij zóó zoudt spreken.

Knud. Ik wist, dat gij dit wenschte. Dat toont uw geest en maakt waardig u, dat ge een der eersten werdt in Denemarken. Ge zijt jong nog, een knaap schier bij mijn jaren. Maar ik wensch mij zulke knapen met een mannenhart tot vrienden. Vergeef me... als men

Sluiten