Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vijftig jaren bijkans telt, noodt vriendschap met jongeren tot ongewone vreugd.

Waldemar. Waarlijk, uw openheid van taal schenkt mij een laatst geluk, voor ik moet gaan. Ik dank u, al prijst ge mij te zeer.

Knud. Ja, er kwam nieuw bloed in Denemarken. Wij, die onze jaren sleten, vergaan in altijd zelfde peinzerijen, hoopten 't sinds lang. Uw oom — gij kendet hem?

Waldemar. Ik zag hem eenmaal, toen ik nog een kind was.

Knud. Hij was een ander man als gij. Thans rust hij — en ik denk, de eeuw'ge rust maakte hem niet anders... ik meen geen kwaad van hem ... hij was een zeer stil man ... hij leefde in vergane droomen en hij verstond den tijd niet, die mannen roept.

Ja, er kwam nieuw bloed met u en 't oude werd traag.

Ge zijt een jong man, een heel jong man... ver van ons groeidet gij op in een vreemde wereld... de jeugd mint 't spel der verbeelding ... uit wonderlijke herinneringen aan den kindertijd, uit avontuurlijke verhalen schiept gij u droombeelden van Denemarken, wijl wij oud werden in 't moeizaam kampen met zorgen van het oogenblik.

Maar toch... de tijd roept vaak onverschillig voor leeftijd en ervaring... de fortuin boeit met de jeugd.

Waldemar. Niet geheel den zin versta ik van 't geen ge zegt.

Knud. Zaagt ge niet menigmaal op de feesten een kring van mannen bijeenstaan, fluistrend en ernstig— Soms ving er een te spreken aan met moeilijk onderdrukte stem en men knikte vaak zwijgend hem toe... toen hing uw zin niet aan die dingen... en ik gunde u ongerept uw zorgenlooze vreugd ... maar in die dagen ontkiemde, wat lang gebroeid had... men sprak 't uit, men verstond zich... en 't werd klaar, dat een daad geschieden moest: men besloot met de wapenen recht te verkrijgen.

Waldemar. Met de wapenen?!

Knud. (Onder de volgende woorden staat hij op. Het wordt duister en meer en meer begloedt hem het haardvuur), 't Is thaus geen tijd voor jonge mannen met een eerlijk Deensch hart in Denemarken. Daar ginds aan 't koningshof komt een bent tot macht, die niet vraagt naar Denenzin. Als ge een man zijt zult ge leven in schaduw. Als een schim nog van manlijke eer rest in uw hart, zal smaad en onrecht daaglijks u verteren. Ha, ge zijt een jong man en met droomen en wenschen kwaamt ge hier. Ban ze. alle van u! Ze zullen spoken worden in uw eenzaamheid, ze zullen u tegengrijnzen, als ge machtloos neerzit in uw knechtenleven.

Erger dan Emund zal hij u smaden en rusteloos zal hij uw kracht opeischen tot zijn dienst. Zie! (Hij haalt den brief van Svend te voorschijn). Nauw zijt ge in 't land en reeds beveelt hij u tot zijn

Sluiten