Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De edelman.

Volijv'rig, Heer, in 't laag gewas en 't hout Langs gindschen weg.

Knud.

Verwacht men langs dien weg Nog volk, dat achterbleef?

De edelman.

Waarschijnlijk, Heer.

De hertog!

• Knud.

Ah!

Waldemar komt te paard. Hij stijgt af en gaat toe op Knud. De edelman gaat ter zijde.

Knud.

Gegroet, mijn jonge prins I Zie! ginds ligt Svend in wanhoop om dees dag.

Te noen reeds is 't volbracht! Wij jagen hen Als hazen uit het veld: zijn lutt'le bent En hem, den grooten koning als een knecht Te avond sidd'rend voor ons oog en woord,

Of vliedend door den nacht in dollen angst Den greep te voelen van dees hand! Zóó kruipt En bloedt hun trots door 't wrekend zwaard in 't eind! Geslagen in hun hoogmoed, staam'len zij Voor den gesmaden man.

Waldemar.

Gij haat hem zeer!

Knud.

Ja, 'k haat hem fel!

Op veranderde toon.

Maar thans te wapen!

Waldemar.

Wacht!

Ik wensch een mondgesprek.

Knud.

Een mondgesprek?!

Waldemar.

Ik wil hem spreken oog in oog. Dit werd Mij klaar bij 't rijden in den nacht — ik weet,

Geen woord herbindt wat brak — doch stel: wij kampen En slaan zijn benden, dapp're Deensche jeugd,

De bloesem onzer hoop, dat rouw befloerst Het teeken onzer zeeg', wijl hij ontvliedt,

Of — zoo gevangen — blijft in onze hand,

Sluiten