is toegevoegd aan uw favorieten.

Koning Svend

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tot — 't strengste oordeel kiezend van ons recht — Wij bannen hem... dan keert hij weer, verzeld Van Duitsche hulp, roept tegen ons in 't perk Zijn vrienden, ónze haters, 't woelziek volk, En 't strijden van dees dag is slechts een vlaag Van voorjaarsmorgenwind bij 't nacht'lijk noodtij Van winterstorm, dat dan ontstellen zal Het liefsteden 't edelste van 't Rijk. En gij,

En ik — als niet een slag in 't duister ons Ontzielt — wij dwalen hulp'loos door dees wereld, De schuld'gen van ons lot!

Knud.

Zoo staan wij hier, Geharnast tot de wraak en keeren stil Na luttel woorden naar onze eenzaamheid?! 't Is uchtend, drijf uw nachtvisioenen uit!

Waldemar.

En gij uw haat! Ik zeide niet te keeren Na wat geschiedde. Uw haat maakt blind en doof! Bedenk, wat lot dees dag beslist. Ik wil Het uiterst doen tot stiering van het lot.

Wij bieden hem een koningskroon naast ons:

Drie koningen als 't vóór Gorms dagen was,

Drie koningen maar door verdragen één.

Ik wil hem zeggen, dat geen Rijksverband Ons samenhoudt en hij, die onzen arm Geheven zag, zal buigen, zoo een glans Van mensch'lijkheid nog uit zijn oogen licht Voor de eed'le zin van ons gemoed. Ah, Knud, De dag van 't voorjaar gloedt ons in het hart, En beter is 't te stichten dan te scheuren.

Knud.

Vervloekt... I

Waldemar.

Ik bid u!

Knud.

Ah, dwaasheid, dwaasheid! Thans dichterlijk! Zie, ginds komt onze raad. Kom naar mijn tent en spreek met hen!

Waldemar.

Ik wil

Het laatste doen van onzen plicht.