Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tot vrouwenminne Wek ik u niet.

Tot feilen kamp Ontwaakt, ontwaakt!

Voor het zingen van het lied is Detlef in edelmanskleedij binnengetreden, terwijl Waldemar en Knud zich zetfen. Hij spreekt stil met een paar edellieden in zijn nabijheid.

Waldemar (tot den zanger). Gij zongt uw lied met schoonen hartstocht, maar uw zang was slecht gekozen voor dezen avond. Zing lied'ren, die de gedachten van dit uur opvoeren in den toover van hun zang en woord... dat is zangers plicht!

Svend. Ik vroeg den zanger om dit lied en 'k breng hem dank voor de vervoering, die hij wekte in mijn hart. Voor ons geen schooner lied dan 't Deensche heldenlied ... voor mij en mijne mannen. ('Gemompel gaat door de rijen zijner edellieden.) 't Ontkluistert voor een stonde van den dwang der tijden en 't stemt ons thans weemoedig als bruidszangen wie onverhoord beminnen. (De laatste woorden spreekt hij gewend naar zijne mannen; dan keert hij zich tot Waldemar:) Mannen zijn wij... en niemand roove ons de vreugd te hooren naar een manlijk lied. (Tot den zanger:) Speel voort!

Waldemar. Ge spreekt onberaden, Svend, en grievend! Gij en de uwen zijt niet de eenigsten in deze hal, die mannen heeten. {Zich bedwingend). Een krijgslied voegt niet in de samenkomst van dezen avond, even weinig als het tweegevecht van dezen noen in dagen van hereeniging.

Svend (gewend tot zijne edellieden). Streed men in dezen middag: Men ziet naar Niels. Deze treedt voor den koning.

Niels. Ik. Heer. Een der hunnen daagde mij met woorden, en 'k antwoordde met het zwaard.

Svend. Uw hand! Ge deedt naar ridderplicht en allen moge uw voorbeeld sporen tot een mannendaad!

Knud heeft onrustig de gebeurtenissen gevolgd; thans ziende naar Svends mannen ziet hij Detlef, die bij het naar voren treden van Niels meer op den voorgrond is gekomen.

Waldemar. Openlijk daagt ge die met u zijn verzaêmd in vriendschap!

Knud. Ha! merk zijn vriendschap, Waldemar! Men noodt met ons den man, die in den nacht Wiborg besloop!

Svend. Hij is niet min een edelman dan gij, die verdragen schendt. Wijl ge voor uw koning stondt, beslopen uw knechten hem den rug.

Knud. De smaad van verslagenen is bitter!

Svend. Ge heet mijn aanklacht 't smaden van een verslagene! Allen in deze hal zullen rechten tusschen u en mij: Verdragenschenner noem ik u. Thans, antwoord!

Sluiten