Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Knud. Waartoe te twisten om wat is geschied ? Ik zou niet spreken van dien nacht te Wiborg, deedt ge ons dien niet schaamteloos gedenken. Ja, wij grepen dien man, ons verwerend tegen rooverslist. Ah! Thans zal Ik u herinneren, aan 't geen geschiedde: niet u behoort die manl (Tot zijn gevolg:) Grijpt hem!

Enkelen van hel gevolg leggen aarzelend de hand aan Detlef. Svend springt op en plaatst zich, 7 zwaard in de hand, vóór Detlef tegenover Knud.

Svend (wijl hij opspringt:) Laat af!

(tot Knud:)

Ah! gij valsch hart, ik daag u in het licht!

Uw zwaard, uw zwaard! Wij kampen om dees man,

En thims berechte een open strijd 't geschil!

Dit zij vergiff'nis voor uw ziel, dat ge in Een ridderkamp met uwen koning vielt.

Svend dwingt Knud tot verweer en treft hem in een geweldigen uitval. Gedrang en handgemeen tusschen de edelen.

De edelen (van Svends partij). Opl Voor koning Svend!

Svend (tot Waldemar).

Thans gij, die praalt met woorden, toon een daad!

De lichten worden uitgeslagen. Gevecht in het duister.

Stem van Knud. Wraak Waldemar! Ah! ik sterf...

Svend. Licht, licht, licht! Sta, sta, laf hart!

Men hoort een worsteling op de gang. De luiken worden opengeworpen. Maanlicht.

SVENd.

Hij vlood!

Een ridderspoor den knecht, een hertogskroon Den eed'len, die hem vat! Te paard! Te paard!

VIERDE BEDRIJF.

Eerste Tooneel.

Vertrek in een boerenwoning aan de heirbaan naar de kronings-stad. Het is nacht. Een enkele lamp verlicht het vertrek. Men hoort buiten op den weg het wegstervend gerucht van paardenhoeven. Een bonde opent de deur in den achtergrond van het vertrek.

De bonde. Komt vrij! Ze gingen.

Uit de duisternis komen Waldemar en een edelman.

Waldemar. Reden ze Zuidwaarts?

De bonde. Neen Heer, uw weg is vrij. Ze bonsden met hun zwaardgevesten op de deur, doch ik liet hen wachten. Toen ik geopend had, vroegen ze of een edelman hier in den voornacht had

Sluiten