Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De bonde. God geve u een blijden rit.

Ze rijden weg over den heirbaan.

Tweede tooneel.

De hal in het slot te Wiborg. Een twaalftal edelen van verschillenden leeftijd zitten in een kring bijeen. Namiddag. Een aanzienlijk edelman, Hakon Estrithson genaamd, zit aan het hoofd der kring.

Hakon Estrithson. Het is reeds twaalf dagen her, dat wij vernamen van zijn vlucht naar 't Zuiden. Wij wachten hem van dag tot dag, geen tijding zelfs gewerd ons. Waarop zint hij. Bergt hij zich ginds in Sleeswijk als een opgejaagde beer in 't hol, of zal hij ridderlijk verschijnen in 't perk van Denemarken ? En 'k zeg u, zoo hij beschroomd is en angstig zich verschanst, zullen we boeten voor onze daden in 't voorjaar. Bij God, de grond zal branden, zoo Svend meester is 1

Een edelman. Terecht zegt ge 't, Hakon Estrithson. Wij weten allen, hoe hij Schonen trof.

Een ander edelman. Spreekt wat ge wilt, ik verwacht hem te Wiborg. Hij zal niet schuw zijn voor 't daglicht. Hij is een edel ridder.

Hakon Estrithson. Maar een jong man en onervaren.

Een edelman. Wat zoudt ge willen, Hakon ? Zeg uw meening.

Hakon Estrithson. Hem onze gedachten doen kennen, hem...

Een edelman treedt binnen.

De edelman. Een goede tijding breng ik ul

Hakon Estrithson. Een tijding van Waldemar ?

De edelman. Hij zelf is sinds een uur op 't slot. Thans komt hij tot u met de hertogin.

Een der edelen. Bij God, ik zegde 't u 1

Waldemar en Sophia treden in de hal. Sophta ts in rouwkleedeien.

De edelen. Heil Waldemar!

Waldemar (tot de edelen, die een kring om hem vormen.)

Mannen gegroet 1 U noodde d'ernst des tijds

Tot samenspraak. Ik kom tot u in 't staal!

Ge hoordet, hoe ik ginds ontkwam: ik ging

Naar Sleeswijk en beriep mijn adel tsaam.

Het eenzaam peinzen op den verren tocht

Een nacht en schier een dag telpaard, had mij

Den geest verklaard: ik zag, hoe 't zwaard, gevoerd

In wilden trots en hartstocht, allen dreigt

Met dood of knechtschap en 'k voelde 't hart

Gesterkt tot daden: 'k wist mijn plicht en riep

Het volk ten kamp. Thans kom 'k tot u: gij voerdet

In 't voorjaar 't zwaard om onzentwil en 'k waan,

Te Wiborg tref ik mannen Deensch van hart!

Sluiten