Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gedenkend, hoe in 't scheem'ren van zijn dag Een zachte hand soms voer door 't wilde haar,

En 'n zoet gelaat zich tot hem nederboog.

Dit rest hem nog.

Liudgard. (hem omarmend)

O, spreek zoo somber niet!

Op, Svend! Ah, wat geldt Waldemar bij Svend!

'k Keer na uw zege en de oude min Herbloeit in 't nieuw getijde schooner. Kamp Ten einde van hün ondergang!

Svend. (in vervoering)

Liudgard!

O, kus mij... gloeie uw kus mij op het hoofd,

Op ooge' en mond. 'k Gedenk in de eenzaamheid Dien gloed en 't zwaard zal toornen in den strijd!

VIJFDE BEDRIJF.

Eerste Tooneel.

Legerplaats van Svend bij de Gratherheide in de nabijheid van Roskilde. De koningstent. Vroege morgen. Svend, Thorbeet en enkele edelen. Een hopman brengt bericht.

De hopman.

Zij naderden in ren met 't veldgeschreeuw >Wiborg en Wald'mar". Spoorslags keerden wij En dra verstierf hun roepen achter ons In 't veld!

Svend.

Hoe vele uren scheiden hen

Van ons?

De hopman.

Ik meen, drie uur op 't minst.

Svend.

Ga, hopman. De hopman verlaat de tent.

Bij God, ze komen haastig! 'k Beidde nog Vele honderden om ons panier, eer 't uur Gekomen was!

Thorbeer.

Te spreken valt thans zwaar.

De raad van 't eerlijkst hart bedreigt met rouw Den gever in 't beslissend uur. Doch 't zij Nochtans gezegd: zoo koon'gen weifelen,

Ontmant de twijfel veler knechten hart,

Wijl Wald'mar, ras en zeker schrijdende Ten daad, 't betrouwen sterkt.

Sluiten