Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar zeg hun, dat de koning kampen zal In hunne rijen, wegend woord en daad!

Vierde tooneel.

Open plek tusschen het gewas terzijde van een weg. Een groot deel van den weg ts zichtbaar voor den toeschouwer. Avondschemering. Op den weg Detlef, sprekend met een ruiter. Tusschen het geboomte Ihor beer en een edelman in afwachtende houding. Meer terzijde: Svend, neerliggend in zwijm en gewond. Een edelman waakt bij hem.

De ruiter.

God stiere uw pogen!

Detlef.

Ga met God!

De ruiter rijdt spoorslags heen. Detlef keert zich haastig tot Thorbeer.

Detlef.

Voort, voort! De schemer op de wegen wordt doorspookt Van paard- en mansgestalten! Nauw ontkwam De ruiter aan hun zwaard! Elk dralen maakt Ons'schuldig aan den koning en ons zelf.

Thorbeer.

Hij ligt in zwijm! Wij kiinnen niet van hierl Detlef.

Wij wekken hem of voeren hem met ons In onze armen vóór op 't paard. Hij moet Ontkomen!

De edelman (die bij den koning waakt, dringend).

Komt!

Svend.

Is opgevaren van den grond en wijkt in heftige angst achterwaarts met uitgest-, ekte armen, tot een boom hem stuit.

Ah, néén, néén, néén! Laat af!

Detlef.

Bij God, de koning ijlt! Heer, koning, Svend!

Keer tot u zelf!

Svend.

Detlef.

Detlef.

Ge laagt in zwijm,

En voert in ijlen op! Wij moeten voort!

Kunt gij een paard berijden?

Svend.

Ja, van hier!

De nacht ontstelt ons denken. Komt, komt, komt!

Sluiten