Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. Jan Spiering was in 1370, '73 en '70 schepen van Heusden en zegelde in 1380 als leenman der grafelijkheid van Holland. Omstreeks dien tijd schijnt hij bij Hertog Albrecht in persoonlijken dienst te zijn gekomen. Welke betrekking hij aan diens hof bekleedde, is mij niet gebleken ; in een tweetal verleien betitelde Albrecht hem als »onzen knecht en dagelij kschen huisgenoot". In 1399 verkreeg hij het schoutambacht of dagelijksch gerecht van het dorp Wijk, dat Heer Boudewijn Kuyst, ridder, naar 's Hertogs meening verbeurd had. Nog waren geen drie weken verloopen, of Heer Boudewijn wist zich van blaam te zuiveren; op 22 Maart 1399 werd hij, voornamelijk met het oog op de door hem tegen de Oostfriezen bewezen diensten, opnieuw met het dagelijksch gerecht van Wijk beleend. Jan Spiering werd later, mede in verband met door hem aan den Hertog voorgeschoten penningen, schadeloos gesteld met 17 morgen lands in den ban van Herpt, genaamd de Zeggelaar, waarmede hij op 28 Juni 1401 beleend werd. Ook Willem VI was gedachtig aan de diensten door Jan Spiering aan zijn huis bewezen en schonk hem op 28 Juni 1408 den vrijen eigendom van 2 morgen in den ban van Wijk, vroeger door Jan als leen bezeten.

Vermoedelijk was hij gehuwd met Margriet (vgl. het calendarium der kerk te Wijk) en de vader van:

1. Dirk van [Veil, die volgt onder III.

2. Jacob Spiering van Well, die in 1417 schepen van Heusden was en in 1425 een huis in de Hoogstraataldaar bezat.

III. Dirk van Well, die in 1387 werd beleend met 3V2 morgen lands onder Babiloniënbroek, zooals Jan Spiering Dirks zoon van Well die te leen te houden placht. Omtrent dezen is verder niets bekend dan dat hij de vader was van:

IV. Klaas Spiering, die na Dirks overlijden met het goed te Babiloniënbroek werd verleid, doch dit tenzelfden dage, 10 September 1451, overdroeg.

Sluiten