Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat zij aan 't huis te Ruinen niet wilden dienen; — en radende van zijne vordering af te zien, omdat hij vreest, dat anders 't werken bij Coevorden weer van de ingezetenen der heerlijkheid zal worden verlangd. 23 Mei 1594.

1 stuk.

14. Stukken betreffende het geschil tusschen de ingezetenen van Budding- en Haakswolde en den heer van Ruinen Henrick von Monster to Tyll over het vorderen door den laatste van verschillende hofdiensten. 1811—1621.

1 dossier.

NB. Sommige stukken zijn gemerkt „D".

Van 1611 is slechts aanwezig het verslag van een door den schulte van Ruinen gehouden onderzoek. In 1616 vinden wij de zaak aanhangig voor Gedeputeerden van Ridderschap en Steden van Overijsel. Door eene exceptio declinatoria brachten de ingezetenen de zaak nog in 1616 voor den Raad van State. Ook 't ressort der heerlijkheid kwam uitteraard hierbij gedurig ter sprake.

Sommige stukken zijn wellicht afkomstig uit 't archief van den agent van Drente in 's Gravenhage Mr. J. van Tongeken.

15. „Sententie tusschen den heere van Ruynen ende Joost „Polman, raeckende de jaght, N°. 19." — Afschrift der uitspraak d.d. 16 Mei 1615 door Gedeputeerden van Overijsel, waarbij zij aan den heer van Ruinen Henrick van Monster tot Till tegenover Joost Polman toekennen het uitsluitend jachtrecht in de heerlijkheid, c. 1616.

1 stuk (gemerkt „C").

NB. In de uitspraak is opgenomen het advies der geraadpleegde rechtsgeleerden, terwijl melding wordt gemaakt van het door Polman aangeteekend beroep op Ridderschap en Steden van Overijsel.

Bij 't stuk wordt gevonden 't adres der enveloppe, waarin 't door Meijsters c. 1704 was geborgen.

16 „Informatiën etc. betrekkelijk het jagen van Hend. Jans „van Coekange in de heerlikheid Runen", en de deswege door den drost q.q. tegen hem ingestelde procedure. 1776—1778.

1 dossier.

NB. Vergelijk resolutiën Ridderschap en Eigenerfden d.d. 24 Maart 1778.

Sluiten