Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ruynen verklaren, Johan van den Cloester te hebben beleend met de erven to den Wildenborge en de Bullinge, 1 hoeve land op Suytwolde in den Erlle, eene rente van 13 mudden rogge uit een erf op de Oeuerrieste, bewoond door Johann Ffocken, en voorts met alle goederen, die Reynolt van den Cloester van hen in leen hield.

Met vermelding als leenmannen van Johan Bolmans en Otto Wanynge.

Gegeven in den jaer onses Heren duysent vierhundert vyfïentsestich dess anderen Sondaichs in der vastenn.

Afschrift (c. 1540) (Inv. N°. 5), op papier.

4. 1465, Mei 27.

Dauid van Bourgoendien bisschop te Utrecht verklaart, Johanna van Runen vrouw van Roelof van Laer te hebben beleend met de door haren vader en haar zelf vroeger bezeten heerlijkheid Runen, aan hem vervallen omdat zijn neef Johan graaf ter Hoye te Runen door Johan van Munster „boven unsen „ghevrede" gevangen was genomen; — en hulde te hebben ontvangen van Roelof haren man;

Met vermelding als leenmannen van Otto van Rechteren ridder, Roeloff van Beueruoerde, Dirck van der Schdlenborch en Geryt van Zuylen van Blickenborch.

Gegeven in onser stat van Zwolle int jair onss Heren dusent vierhundert vyf ende tsestich opten soeven ende twintichsten dach in Meye.

Afschrift (c. 1600) (Inv. N°. 4), op papier.

5. 1465, Augustus 16.

Roloff van Laer heer te Ruynen en Johanna vrouwe van Ruynen verklaren, Johan van den Cloester te hebben beleend met een erf in het kerspel Norch in de buurschap Ede, onder de kerk van V enhuysen, behoorend tot de heerlijkheid Ruinen; welk erf door Straele was nagelaten aan Reynolt van den Cloester; en geven hem kwijting voor het heergewaad.

Met vermelding als leenmannen van Johan Boelmans en Otto Wanynge.

Geschreven in dem jaer onses Heren duysent vierhundert vyffentsestich dess Fridaichs na \nser Leuer Vrouwen Assumptionis.

Afschrift (c. 1540) (Inv. 5), op papier.

Sluiten