Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de leenen dier heerlijkheid, verklaart te bekrachtigen den verkoop door (A.) Camerling, predikant te Coeverden, van 't gedeelte „trecktijnde", waarmede hij beleend is geweest; den kooper (J.) Oldenhuijs schulte van Sweelo daarmede te beleenen; en van dezen hulde te hebben ontvangen.

Met vermelding als leenmannen van H. J. Camerling, j. u. d. en schulte van Ruijnen, en Egbert Lucas.

In Euijnen, den 4en Junij 1764.

Minute (?) (Inv. N°. 61), op papier.

36. 1756, Maart 16.

L. J. van Hambroick verklaart, als gevolmachtigde van zijn broeder den heer van "Welevelt, dat 't erf c. a. Velthuijs in de boerschap Hertmen en 't richterambt van Borne, waarmede hij op 21 October 1750 is beleend, in eigendom behoort aan baron van Heeckeren, heer van Nettelhorst, Batingen en de Heest, en hij daarom de beleening van dezen met genoemd erf „kan lijden".

Op den huijze Welevelt, den 1G Maart 1700 ses en vijftig. Oorspr. (Inv. N°. 75) op papier, met onderteekening door L. J. v. H.

37. (1756, Maart of April?1).

Joh. L. Evers, rentmeester van 'den markies van en tot Hondsbroeck als heer van Ruijnen, en stadhouder van deleenen dier heerlijkheid, verklaart te bekrachtigen den verkoop door baron van Hambroick heer van Welevelde van 't erf Velthuijs in 't gericht van Borne, boerschap Hartmann, waarmede hij den 21 October 1750 werd beleend; den kooper baron van Heekeren heer van Nettelhorst, Batingen etc. daarmede te beleenen; en van dezen hulde te hebben ontvangen.

°P

Concept (?) (Inv. N° 75) op papier. Op 't zelfde stuk een minuteele brief van den rentmeester Evers aan baron van Heeckeren.

38. 1756, November 4.

Adolph Philip Zeger graai van Rechteren vrijheer van Almelo en Vriesenveen enz. en Joan Lodewyk graaf van Rechteren heer tot Laar enz. — leenmannen der provincie Overijssel „bij gebreck van vasallen des huijses en heerlikheyt Rhuinen, —

') Vgl. Eegest N°. 36.

Sluiten