Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„sijn hebbende, geholden sullen sijn, deselve binnen de tijtt „van een halff jaer nae de publicatie deser te doen prothocolleren, „bij de poene hijrboven art. 3tio vermeit."

Bij vergelijking van den hierachter volgenden inventaris vinden wij weinig protocollen dagteekenend van voor 1671. Geheel toevallig is dit niet; met de zooeven medegedeelde resolutie in de hand mogen wij aannemen, dat zulk eene afwezigheid niet wijst op 't verloren zijn gegaan in verloop van tijd, doch op 't nimmer hebben bestaan. En wanneer men ziet, hoevele registers sedert nog ontbreken of althans de blijken dragen van groote onvolledigheid, dan verwondert men zich er niet meer over, dat de plaatselijke archieven over 't algemeen van zoo weinig beteekenis zijn.

Ruim 2ö jaren later werd een gelijk besluit genomen ten opzichte der testamenten. Sedert 1698 moesten ook deze worden geregistreerd ').

Het reglement op de heffing der collaterale successiën en vrijwillige verkoopingen dd. 1716 vorderde (in art. 8) aangifte door den verkrijger der goederen bij den ontvanger dezer belasting. Dit beginsel werd in 't reglement dd. 1788 verlaten2). Uitdrukkelijk werd voorgeschreven die aangifte niet te doen bij den ontvanger doch ,,aan de respective gerichten, waaronder „het stervhuis behoord of de opdragt, overgang of giften etc. „etc. etc. geschied zijn" (art. 8). In art. 9 van genoemd reglement werd van het gericht gevorderd, nauwkeurige registers ter zake te houden, den ontvanger daarvan inzage te verleenen en uittreksels eruit te doen toekomen o. a. aan den ontvanger, die bleef innen. Het doel van deze wijze van behandeling was ongetwijfeld, een nauwkeurige controle op de betaling der belasting te hebben, zoodat ontduiking niet mogelijk zou wezen.

Van enkele plaatsen zijn registers ook van vóór 1788 voorhanden. Veel komt dit niet voor. Het is mogelijk, dat zij verloren gingen, maar ook dat de resolutie dd. 1751 (zie noot 2 hieronder) weinig effect heeft gesorteerd.

1) Resolutie R. en E. dd. 13 Dec 1698.

s) In 1751 was reeds bepaald, dat de aangifte ook zou kunnen geschieden bij den schulte, in wiens ressort de goederen waren gelegen of 't sterfgeval had plaats gehad (resol. R en E. dd. 23 Maart 1751).

Sluiten