Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door dorp en veld en lieflijke eenzaamheden. De menschen zocht hij en doorgrondde hen.

Hij wist waarvoor zij allen zwoegden, streden,

En om zijn vriendlijkheid waardeerde men

Zijn komst, schoon hij hun vreemd bleef. En de daden

Van de oudheid, al wat stift, penseel of pen

Vereeuwgen kon, en hoe en wie ze aanbaden En wat zij wisten van der sterren banen,

Van dieren, van den groei der schaamle zaden,

Hun kunst, hun kennis, hun geloof, hun wanen — Hij kende 't al. Hij reisde en zag de landen Waar, pyramiden langs, de karavanen

Tijgen door 't eeuwen-puin in zonnebranden,

Waar van den tempel 't beeldgruis en de zuilen Liggen verzonken in begroeide zanden,

En in de koele graven ging hij schuilen Waar de gebalsemden in kleurge banden Liggen gewonden — in de diepste kuilen

Der aard groeven ontzet zijn eeltge handen Naar 't reuzendier-skelet, en de oudste talen Las hij: het spijkerschrift op de rotswanden,

En alle zeeën zelfs ging hij doordwalen Van pool tot pool, en in de zeeën duikend Zocht hij een schat van paarlen en koralen

En bloemen in die schemering ontluikend,

En hoogste bergen dorst hij koen bestijgen 't Lief edelweiss aan steilsten afgrond pluikend. —

Sluiten