Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van huivrend licht en huiverend geween.

En hij begroef haar. Tot hun beider kluis Ging hij niet weer, maar sliep op mos en steen

En zwijgend ging hij snel langs ieder huis,

Doch in de stilte speelde hij, waar droef De takken huifden, of bij 't stroom gesuis.

Hoe zwak ook, stierf hij niet. Zijn mond stond stroef En lachte nooit meer, en zijn haar werd grijs En lang — de wind doorstreek 't met zacht gezoef —

Doch altijd blijder werd zijn weemoedwijs,

Want altijd nader kwam hij bij den dood

Die — wist hij 't niet? — het eind was van zijn reis

W aar hij zijn lievling die zoo droef ontvlood,

Wier beeld hem scheemrend lichtte in de eenzaamheid,

Weer, en voor eeuwig nu, in de armen sloot'...

Toen was 't of hij ontwaakte. Een korte strijd —

Meer een bezinnen, een herinnering

Van al 't doorleefde — en de armen uitgespreid

Knielde hij neer in koortsge siddering Voor haar die 't laatste lied speelde. En hij zei: ergeef, dat een verlangen me eerst beving

Naar haar ijdelen rijkdom. Zegen mij Met t smarten-rijke, liefde-rijke leven Dat gij mij toonde, dat mijn leven zij.

Sluiten