Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Grijnslachend zag hij naar de droeve dooden,

Die op hem wachtten — velen tevergeefs.

Toen Charon sprong uit zijn verweerde schuit,

Drongen de schimmen, met een wild begeeren,

Een koortsig langen naar het smart-vergeten,

Rondom hem op. Maar Orfeus bleef nog staan

En hief zijn lier en weemoed ruischte zacht

In droeven zang van schreiensvolle woorden.

Zóó strijkt de nachtwind door de dorre blaren,

Die ritselen op bruin bestoven grond,

Wanneer de herfst het loover nedersloeg,

Zoodat de boomen klagen in den avond,

Als grauwe wolken langs de nevellucht

Voorbijgaan. En toen Orfeus' zware stem

Over de hoofden van de dooden schalde,

Werd alles stil. Het ruw gefluister zweeg

En het geschuifel, wijl de starre biik

Van den verbaasden Charon Orfeus aanzag

En zachter werd, toen hij 't gestorven heil

Beweenen hoorde met zóó schoone zangen.

Orfeus trad nader, wijl hij altijd zong,

En voor hem weken, met een stillen eerbied,

De schimmen weg, zooals de wolken vluchten

Aan beide zijden, wen een helle straal

Ze schittrend scheidt. — En eindlijk sprong hij trotsch,

Terwijl zijn zang een ongekende vlucht

Van blijde grootheid, van gewonnen heil

En van een vorstelijken hoogmoed aannam,

In 't wankle vaartuig en geen Charon hield

Den sterke tegen. — Zwijgend nam de stuurman

De spanen op, nog altijd luisterend,

En stootte 't schuitje krachtig van den wal,

Terwijl de schimmen aan het bleeke strand,

Hun groote ellende een oogenblik vergetend,

Verbijsterd stonden — en de logge kiel

Den modder spleet, die, golvend met het schuim,

Een voor naliet van wierdoordreven zwart.

Sluiten