Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bewonderde — en een weeke weemoed viel Op haar versteende ziel, die met de macht Van den doodskoning ook diens somberheid En hoogmoed vond. — Toen zag zij in het zwart Van een spelonk een lichtgestalte staan, Een schoonen mensch, die met een gouden lier Tot vóór den troon schreed en zijn zilvren zang Van machtig lijden ruischend schallen deed Door de gewelven, die den schoonen klank Niet eens wéergaven, van verbazing stom. Zoo zwijgt de nacht, wanneer de nachtegaal Zijn klachten kweelt en door het stille loof De tonen orgiën van zijn zoete stem. —

Orfeus stond stil en voelde een zingenskracht, Zóó groot dat al zijn lijden als een stroom, — Die van de sneeuwgekroonde bergen stort En t ijsveld scheurt met blank-opspattend schuim, Zoodat de hardheid van den steenvloer breekt En door het machtig water wordt vermorzeld, — Hartstochtelijk in donkre woorden zwol En, galmend door de zalen, 't schimmenheir Deed wijken en verdwijnen in de spleten;

Want hun zoo weeke grijsheid kon den vloed Niet wederstaan, die stormend al zijn schotsen Tot glinstrend-hooge torens op deed kruien, Met woest-ontembre, dreunende muziek.

En, wijl de klank der snaren zachter werd En overging in 't murmlen van een zee, Die klagend ruischt na wilden winternacht,

Week ook de toorn van Hades en diens ziel Voelde de schoonheid van den hoogen zang. Tot Orfeus zweeg en met een laatsten roep: >Eurydice!" de lier in droom deed zinken En mijmrend nog een wijle stond te staren En stilte rijzen voelde. — Hades sprak,

En 't was geen koning, maar een klagend god: »Ook ik, ook ik heb eens in 't zonnelicht

Sluiten