Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zich stom en starend uit. — Geef hem 't geluk, De korte vreugd, wier droeve naschijn nog In 't sterven vrede legt na 't leven zacht." — Toen boog ook Hades 't zwartgekroonde hoofd En zeide, dat zijn trotsverijsde stem Helder bleef hangen in de vochte nevels:

»Mijn zoon, ga heen en vind uw vrede weer, Zooals de wereld na een korten winter, Een stillen slaap, de bloemen blij hervindt.

Maar weet dit ééne: Rotsen zien geen bloem. Uw gouden liefde is als een schoone plant, Op de aarde ontbloeid, maar die in nevelen Niet leven kan. In mijn rijk mag geen liefde, Geen aardsch geluk zijn: hier is slechts de dood En óns geluk is koude doodentrots I Eurydice is schoon: haar teere jeugd Bloeit nóg in onbestemde vormen — maar Ik wil geen liefde, waar mijn macht nog reikt! Zie haar niet aan 1 Gij zaagt haar nimmer weer, Gij zoudt vergaan in eindelooze smart,

Wanneer uw oog zich tot haar heffen dorst I"

IV.

Een lange tunnel, waar de zwarte rotsen Spelonken vormen, waar geen distel groeit En waar gifslangen zich om steenen kronk'len, Zoodat een streep van zwadder het graniet Ontreinigt. En de stilte wordt verbroken Door schuw geritsel, wijl een zacht geschuifel Soms uit de holen klinkt, die, gapend-zwart,

Zich openen. Hier schreed de zanger voort, Terwijl zijn hand de doode Eurydice Voortleidde. Wen zijn plooiend-wit gewaad De schaduw kliefde, volgde 't grijze beeld Van neevlig-schoone vormen bleek in 't zwart: Eurydice, die willoos, onbewust,

Sluiten