is toegevoegd aan uw favorieten.

Orfeus en Eurydice

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hem naging, want de kennis van het leven

Was weggezonken in den stillen stroom

Der grijze Lethe. — 't Zonlicht zou haar ziel

Moeten opwekken tot een blij bestaan,

Wijl ze in den nacht nog voortging als een kind

Aan vaders hand, die 't leiden wil en zoet

Gaat het hem na, niet wetende waarheen.

En Orfeus staarde voor zich en hij zag

Uit naar het licht, dat rond en klein zou zijn,

Als hij 't voor 't eerst weer zien zou. Was hij niet

Gelijk een stuurman, die in duist'ren nacht,

Terwijl de golven bruisend om hem razen,

Het schijnsel van een baak zoekt, die aan 't strand

Verrijst, onwrikbaar in de wilde stormen?

Tot eindelijk een flauwe, verre glans

Mat tot hem doordrong en hij de oopning zag,

Waar 't leven wenkte, 't Licht was als de zon

Zelve, aan een zwarten hemel, waar haar gloed

Niet op weerkaatst en die rondom haar blijft,

Zooals een rouwkleed op een gouden harnas,

Wanneer een kogelschot een ronde plek

Van 't doek wegnam, waar nu 't metaal door blinkt.

Toen jubelde Orfeus en een blijde toon

Weerschalde langs de lage galerijen

En zocht het licht. Zooals een regenboog

De zonnige valleien overspant,

Wanneer de regen zwijgt en 't wolkengrauw

Verguld wordt door een gloed, die 't zwart doet sterven,

Zoo rees zijn lied nu hoopvol-bevend op

En al zijn worst'len, al zijn zangerskracht,

Zijn stijgend heil, werd door zijn machtge stem

Luid uitgezonden door de donkre gangen

Van 't nauwe hol. Eurydice schrok op —

Beefde haar hand, toen zij dien zwaren klank

Vernam, dien zij niet kende? Doode schim,

Hoorde zij slechts de zuchten van den Hades —

En Hades' woorden — toornig klonken die,