Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STUDIES IN HÖLDERLIN

DOOR

ALBERT VERWEY.

I

Inleiding

Hölderlin hoort tot mijn gelukkigste jeugdjaren. Van zijn gedichten is toen iets overgegaan in de mijne. En niet zonder een siddering van vreugd en vrees denk ik aan dien tijd, toen mijn weemoed bevrediging bij hem vond. Maar ik noemde hem nooit en ik had hem vergeten, toen later mijn duitsche vrienden weer van hem spraken. Door een nieuwe uitgaaf i) ken ik zijn werk nu vollediger en nu weet ik hoezeer hij een voorganger is geweest en hoe belangrijk hij voor ons blijven za.1.

Hij was niets anders dan verlangen naar een schoonheid die hij in de Grieken en in de vrouw die hij Diotima noemde, verwerkelijkt heeft gezien. In Diotima vierde hij de schoonheid die goddelijk is. Hij wilde erdoor uitdrukken dat vroomheid en liefde tot schoonheid hetzelfde zijn. Wees vroom als de Grieken eens! luidde zijn raad aan jonge dichters.

Hij is een van hen in wie voor het eerst de onafwijsbare vroomheid om andere goden riep, in wie de kunstenaars, die zij waren, te doen kregen met den drang naar vergoddelijking.

In Novalis en Hölderlin wordt die drang heftig. De poëzie wil uiting van vroomheid worden, en het doet er niet toe of

i) Gesammelte Werke, herausgegeben von Wilhelm Böhm und Paul Ernst, Verlegt bei Eugen Diederichs, Jena und Leipzig 1905. 3 Bde.

DE BEWEGING. 1 ?

Sluiten