Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is een hard woord en toch zeg ik het omdat het de waarheid is: ik kan geen volk me denken, meer verscheurd dan de Duitschers. Handwerkers ziet ge, maar geen menschen, denkers maar geen menschen, priesters maar geen menschen, heeren en knechten, jonge en bedaagde lieden maar geen menschen — is dat niet als een slagveld waar handen en armen en alle ledematen verbrokkeld door elkaar liggen, terwijl het vergoten levensbloed in het zand verstolt?

Ieder drijft het zijne, zegt ge, en ik zeg het ook. Maar dan moet hij het met zijn heele ziel drijven, moet niet iedere kracht in zich verstikken als ze niet juist bij zijn titel past, moet niet, met die armoedige angst, letterlijk huichelachtig, alleen dat wat hij heet wezen, maar met ernst, met liefde, zijn wat hij is, dan leeft een geest in zijn doen, en is hij in een vak geduwd waar de geest heel niet leven mag, laat hij het dan met verachting weg stooten en ploegen leeren. Maar uw Duitschers blijven graag bij het noodigste, en daarom is er bij hen ook zooveel stumperswerk en zoo weinig dat vrij en waarlijk verheugend is. Doch dat zou te verduren zijn, als zulke menschen maar niet ongevoelig waren voor alle schoone leven, als maar niet overal de vloek van door de goden verlaten onnatuur op zulk een volk drukte.

De deugden van de Ouden zijn maar blinkende fouten, heeft eens ik weet niet welke kwade tong gezegd; en toch zijn zelfs hun fouten deugden, want daar leeft nog een kinderlijke, een schoone geest in, en zonder ziel werd van al wat zij deden niets gedaan. Maar de deugden van de Duitschers zijn een blinkend kwaad en meer niet, want noodwerk zijn ze maar, uit laffe angst, met slaveninspanning het woeste hart afgedwongen, en laten troosteloos ieder reine ziel die met het schoone gaarne zich voedt, ach, die verwend door den heiligen saamklank in edeler naturen, den wantoon niet verdraagt die in de doode orde van deze menschen schreeuwt.

Ik zeg u: er is niets heiligs wat niet ontheiligd, niet tot armelijk behelp vernederd is bij dit volk, en wat zelfs onder wilden goddelijk rein blijft, dat drijven deze alles berekenende Barbaren, zooals men een handwerk drijft en kunnen niet anders: want waar eenmaal een menschelijk wezen is afgericht, daar dient het zijn doel, daar zoekt het zijn nut, het

Sluiten