Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijn trouwgeblevenen! — Doch ik weet, ik weet, Van liefde 't leed geneest ge zoo haast mij niet, Dat zingt geen wiegezang dien troostend Sterflijken neuriën uit het hart mij.

Want zij wier hand het hemelsche vuur ons schonk, De Goden, geven 't heilige leed ons ook.

Dat het ons blijve. Een zoon van de aarde Zij ik; tot lieven gemaakt, tot lijden.

Aan de Duitschers

Spot met kinderen nooit, als zij, de onnoozelen,

Groot en moedig in schijn, schomlen op 't houten paard, O gij goeden, ook wij zijn Dadenarm en gedachtenvol.

Komt nochtans, zooals straal uit het gewolkte breekt, Uit gedachten misschien zinnig en rijp de daad?

Volgt op schrift, als op loovers Donkre bladen, de gulden vrucht?

En is 't zwijgen in 't volk, is het de viering soms Vóór het feesten? de vrees waar zich de god door meldt ? O, dan neemt mij, gij lieven!

Dat ik boete de lastering.

Lang, te lang toch alreeds, dwaal ik den leek gelijk In des vormenden geests wordende werkplaats hier; Wat ontbloeit versta ik,

Wat hij mijmert versta ik niet.

En vóórvoelen is zoet, nochtans een lijden ook,

En reeds jaren genoeg leef ik in sterflijke Onverstandige liefde Aldoor twijfel-ontroerd om hem,

Sluiten