Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die t standvastige werk minnend uit scheemrende Volle ziel en ook mij nader, mij sterflijken,

Waar ik tsage, des levens Reine diepte te rijpen drijft.

Scheppensmachtge, wanneer, Genius van ons volk, Wanneer toont ge u geheel, ziel van het vaderland, Dat ik dieper mij buige,

Dat de fluistrendste snaren zelfs

Mij verstommen voor u, dat ik beschaamd en stil, Als een bloem van den nacht, hemelsche dag, voor u Einden moge met vreugde,

Als zij alle met welken ik

Voormaals treurde, wanneer deze onze steden nu \Vakker, open en klaar, vol van een reiner vuur, En de bergen der duitsche Landen bergen der Muzen zijn,

Zooals d' heerlijken eens, Pindos en Helikon En Parnassos, en wijd onder des vaderlands Gouden hemel de vrije Klare, geestvolle vreugde glanst.

Eng voorwaar en beperkt is onze levenstijd,

t Aantal jaren van ons schouwen en tellen wij,

Doch de jaren van volken,

Zag een sterfelijk oog die ooit?

Als uw ziel ook soms boven de eigene tijd Zich, verlangende, tilt, — treurende vindt gij dan Toch aan 't koude strand u Saam met de uwen en kent ze niet.

Sluiten