Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mededeeling is eenvoudig, maar ook hier is het alleen de vraag hoe door haar de dichter de verbeelding zal aangrijpen. Het zijn menschen die haar hooren doen, burgers van de stad waar die goden worden aanbeden, die koningen heerschen, Iphigeneia leefde, de roof op Helena is gebeurd.

Uit deze veeltakkige bron van meegevoel ontspringt de stroom die zich uiten zal. Forsch en diep-menschelijk klinkt de veelzeggende beeldspraak die al hun aandoening vertolkt.

I)c wachter daalt van het dak en gaat het paleis binnen. De dag gaat op. Het paleis wordt levendig. Slaven komen naar buiten, offers van reukwerk dragend de stad in. Andere ontsteken reukwerk op de attaren van het paleis. Rei van bejaarde burgers komt op.

Dit is der jaren tiende sedert Priamos'

Tegenpartij in 't hoog geding,

Het stoere span van Atreus' zonen,

Door Zeus met eer van dubblen troon en Dubbelen koningsstaf beleend,

Menelaos en vorst Agamemnoon,

Van hier, uit het Argeïsch land Hun wapenkletterenden rechtsbijstand,

Hun vloot van duizend schepen reedden.

Toen wrong den luiden roep van sAres" toorn uit mannekeel

Als wanhoop smartgekrijsch uit gieren

Die vinden 't jong geroofd, de vrucht van veel

Nesthoedend zorge'; in kringezwieren

Roeien ze op vleugelriemen boven 't leege huis, —

En in den hemel een (Apolloon, Zeus

Of Pan) verneemt 't schelkrijtend vooglenweegeschrei

Dier godenburen, — hij

Zendt de' overtrederen als wreker

Erinys laat, maar zeker.

Zoo zendt ook Zeus-almachtig, die het gastrecht hoedt,

Zonen van Atreus tegen Alexandros

Om die vrouw wier veelmannerij

Brengt over Grieken en Troianen eenerlei

Worstling eindloos, ledenlammend.

Knieën die neêrzinken in 't stof.

Sluiten