Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En smart zwelt aan tot wrok, breekt uit Tegen de recht-eischende Atrieden...

Andren waar ze om den stadswal zijn geveld,

Liggen in 't Trooische graf gestrekt,

Ten voeten uit, held aan held,

Vijanden door vijandige aard gedekt!

In 't donker mokkend vloekt zijn vorst het volk,

Die zóó voor zware schuld zwaar boet

Toch blijft mij angst die meer vermoedt

Uit toekomsts nachtewolk ...:

Hen die velen doodden

Laten nooit de goden

Uit hun wacht —

Zwarte Erinyen op haar ure storten Die tot hel geluk rees door 't verkorten Van Gods recht, terug in nacht....

Eenmaal bij de duister-onbekenden Heft hem uit ellende Geene macht. —

Overweldig-hooge naam is zwaar te dragen:

Van Zeus' zijde op bergetoppen vlagen Bliksemdracht!

Ik wijs genoeg, niet meer, geluk.

Nooit moge ik stedewinnaar zijn Noch zien dit leven mijn Geslaafd in andrer druk!

* *

*

Het voorafgegane is inleiding. Tegelijk is er een overzicht door gewonnen van het treurspel dat volgen zal. Als, aangekondigd door den Bode, Agamemnoon verschijnt, is hij al, voor den Rei niet anders dan voor Klytaimestra, de gedoemde. Voor de laatste feitelijk, maar voor den eersten inderdaad rechtens. Zij, de daderes die allang met Aigisthos leeft en het plan van den moord in alle onderdeelen klaar heeft, ontmoet haar man, zooals eerst zijn Bode, met brutalen leugen, die zij na de daad ronduit erkennen zal. Er is zelfs bravoure in de verzekerdheid van haar optreden. De schildering van haar thuis-zittend leed, haar verontschuldiging over het vanhuis sturen van zijn zoon Orestes, haar loftuitingen op hemzelf en het aandringen dat hij toch vooral

Sluiten