Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Geslacht is aan Verderf geklonken! —

Had, grond der Aarde, mij ontvangen Eer ik mijn heer zag uitgestrekt Tusschen bekkens zilvren zijden!

Wie die hem begrave?

Wie die hem beweene?

Zult gij die eigen man gemoord hebt.

Dat durven doen. zijn rouw bedrijven?

Der ziel, tot delging van ellendge daad,

Liefdlooze liefdedienst vervullen ongerechtigd? — Wie aan den verschgehoogden heuvel Van godeheerelijken man

Zal tranenstortend uit waarachtigheid des harten Rouwenden lof bedrijven ?

KLYT Met Waarheid op dees gods-uitspraak -AIME Hebt gij u ingescheept. — Ik ben bereid -STRA Dit eedverdrag der Pleisthenieden daimoon Te stellen, dat ik vrede neem Met dezen stand schoon zwaar te dulden,

Als weg uit dit huis in de toekomst Hij andere geslachten uitput Door zelfmoord in hun eigen bloed. —

Klein deel maar van 't bezit zij mijn.

Want mij is alles recht

Als ik den waanzin van 't keerbeurtig moorden Vanonder mijn dak uitdrijv'.

Aigistiios komt op met gewapende mannen.

AIGIS O licht weldadig van dag die vergelding brengt!

-THOS Nu eindlijk kan 'k getuigen dat van boven de aard Als straffers goden toezien o\er 't menschlijk wee.

Nu ik in waden van Erinys' weefsel schouw Dees man gelegen op mij hartgewenschte wijs, Dus boetend voor de lagen van zijns vaders hand.

Want Atreus, dees mans vader, koning van dit land,

Heeft mijn vader Thyestes, — dat ik 't helder duid' — Zijn eigen broeder, daar 't bewind hem werd betwist, Verbannen en verdreven uit zijn stad en huis. En weêrgekomen tot zijn haard als smeekeling Vond onzaalge Thyestes deelsche veiligheid:

Dat hij niet stervend bloedbevlekte vaders vloer —

Doch zóo bij de aankomst heeft zijn vader Atreus snood Met aandrang meer dan lief aan mijnen vader was.

Sluiten