Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AAN DE SCHIMMEN VAN BEETHOVEN

EN BACH.

DOOR

• . FREDERIK VAN EEDEN.

v —

p

O mijn Broeders, en mijn Heiligen!

Mijn aldernaasten — bij God mijn bemiddelaars.

Als een eenzame wijlt mijn ziel onder eenzamen,

wie onder de levenden kent mijn hart?

En Gods aangezicht zal ik, levende, niet zien,

Zijn glans blijft mij onthouden, hoe ik bid.

Want mijn onvergolden schuld is nog te geweldig en te machtig zijn om mij de handen mijner zonde.

Onder lig ik, als een worstelaar, 't'gelaat op de aarde,

tusschen God en mij ligt mijn kwaad op mijn lenden.

Daarom roep ik u, mijn Broeders, mijn aldernaasten,

dat gij mijn geroep opdraagt tot onzen God.

In de hallen des nachts stond ik en wrong mijn handen,

in de droomhallen, die ombuigen, dat men geen einde ziet.

En ik riep, maar mijn stem kon om hun hoogte de welvingen niet aanraken, ik riep: ,,Bach!" en nogmaals riep ik: „Bach!"

Want ik zocht u, ik, de nog in den lijve levende,

ik zocht u, Broeders, die droomt in glansrijke eeuwigheid....

Sluiten