Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik roëp ze en zij komen, en ze dienen ook mij,

zij zingen en bewegen hun bevallige handen.

Zoo weet gij dat ik uw Broeder ben,

en gij wilt mij wel kennen, arm en klein als ik ben.

Schaamt u niet over mij, om dit stamelen,

veracht mij niet, omdat ik te zwijgen niet vermocht.

Hebt gij ook niet het alledaagsche gedaan?

Hebt gij van uw verachtelijk praten nooit gewalgd?

Nu zijn de woorden verwaaid als papier-asch,

Maar in rein-gegloeid gouden vlechtwerk van melodieën ligt uwe ziel

zacht gebed.

Om mijn naasten is 't dat ik spreken moet —

om den arme praat ik, die smacht en geen recht vindt,

om den arme wiens ziel verschrompelt in kommernis,

om den rijke die zijn ziel vergiftigt met ongerechtigheid.

En ik praat, mijn hart ziedt, maar ik praat zachtkens,

ik leid mijn woorden, als een geduldig meester de kinderkens.

Met ijzeren toom houdt mijn liefde ze bedwongen,

ik schik ze bedachtsaam en vol zorg, want de arme smacht.

Een lantaarn open ik een handbreed voor der dwazen oogen,

honderd vuren bouw ik rond hen, en ze zeggen: „wie ziet er wat?"

Ik luid de noodklok boven hun hoofden,

den dolk der waarheid plant ik in hun borst.

In tranen buig ik mij tot hun zweren,

de kleeren mijner trots scheur ik, wijl zij naakt zijn.

Mijn stem is schor van zeggen en zij lachen,

mijn lippen beven, en zij roepen: „zing fraaier!"

Sluiten