is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan de schimmen van Beethoven en Bach

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar dan, o mijn Broeders,

dan, in de dagen van verbittering,

ontmoet ik een zachte vlaag uwer schoonheid,

uw geest die nog omwaart onder 't droeve geslacht.

Uw lied hebt gij den menschen, scheidend, gelaten in zwarte teekenen geboekt houden zij het.

Uit aldoor stinkender poel rijst het zuiverlijk,

overal leeft het, onaangetast, in zeeën van leelijkheid.

Als de roke eener veldbloem in vunze achterbuurt,

als een verdoolde vlinder in bloedig-donker slachthuis,

als het koeren eener woudduive in beurs-gezwatel,

als het donder-gromlen boven het gejoel eener dorpskermis.

Zoo blijft gij, herauten Gods, zijn heerlijkheid handhaven, zijn licht doet gij eerbiedigen in helsche duisternis.

Waarlijk mag ik u heiligen noemen,

priesters noem ik u en bemiddelaars.

Zie de lieden saamkomen, hun denken is nietigheid,

hun hart is laf, hun ziel uitgedoofd, logen kwijlt hun mond.

Maar dan doen ze de doode teekenen leven

en Gods waarheid licht op uit levenloos hout en snaren.

Al is hervonden voor een wijle, geloof en kennis,

weer weet ik, hoe alles goed is wat is, om Godswil.

Van uit uw doodsrust beweegt ge dan de levenden — van uit uw zaligdom zendt gij de rozen uwer goedheid nog.

Met zacht verwonden windselen stelpt gij mijn bloeden, liefelijk omstrengelen de melodieën mijne ziel.