Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zie, ik word ouder, het weeke verhardt in mij,

vast en rimpelig word ik, als een jonge boom die hout maakt.

In mijnen groei volhard ik strammiger,

ik kan niet lenig meer zwiepen met den wind.

Maar mijn bloemen zijn fijn en zoet-rokig als van ouds en al mijn bladeren lispelen even teeder in lauwen wind.

Zoodanig mijn stam gegroeid is kan ik niet meer veranderen, het gekromde kan ik niet meer recht maken in mij.

Maar mijn levende twijgen bidden om vergeving, telken jare, en mijn bladeren beweenen mijne zonde.

De eene mensch is mij zooveel liever niet meer dan de andere en den weekhartige ben ik tot aanstoot.

Maar verder gaat de geur mijner bloemen,

verder gaan mijne zaden en mijn schaduwen.

Grooter zijn mijn verrukkingen •

en het licht des hemels ken ik beter.

Zoo voert dan mijn stem op, gij machtigen in licht,

Wat ik fluister tegen de aarde, zingt het onzen Vader,

den dank uws broeders, die de lavingen geproefd heeft, het zoet dat gij van Hem in mijnen mond hebt gelegd.

Vele schulden zijn mij kwijtgescholden

en uw bericht omtrent Zijn erbarmen heb ik verstaan.

Maar ook het brood des doods zou ik willens gegeten hebben, volhardend in dankbaarheid.

Want ben ik niet God, God kennende?

.En zal Hij zichzelven vernietigen?

Sluiten