Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het tiendrecht verbonden is, genoemd te worden het feit, dat elke vermeerdering der opbrengst van het tiendplichtige land aan den tiendheffer ten goede komt, zonder dat deze zich daarvoor eenige opoffering behoeft te getroosten, doordien zijn tiendrecht hem aanspraak geeft op zeker evenredig gedeelte van den oogst, onverschillig op welke wijze en door welke middelen het verkrijgen van den oogst door den eigenaar of gebruiker van het land is mogelijk gemaakt.

Dit groote oeconomische nadeel van het tiendrecht heeft zich in de laatste helft der verloopen eeuw, eigenlijk eerst in zijnen vollen omvang te onzent doen gevoelen. In een tijd toch, toen de wijze waarop de grond gebruikt werd, weinig en zeer langzaam veranderde, drukte het tiendrecht gelijkmatig en standvastig op den plichtigen grond. Dat de heffer voor een evenredig deel deelde in het risico voor het welslagen van den oogst, kon, bij bekenden en gelijkmatigen druk, den plichtigen gebruiker of eigenaar slechts voordeel opleveren.

Dit werd evenwel anders omstreeks het jaar 1860, toen men krachtige pogingen begon aantewenden tot verbetering van den bodem door hooger bedijking, sneller afwatering, voorziening tegen zandverstuiving enz.; doch vooral, toen later buitenlandsche mededinging dwong tot groote en kostbare verbeteringen in de cultuur zelve; toen betere bemesting, veredeling der zaden, bestrijding van ziekten enz., eene plaats in den landbouw gingen innemen. Immers nu kwam elke bruto-vermeerdering der opbrengst van het land, opeene der voorschreven wijze verkregen, voor een evenredig deel ten goede aan den heffer, die aldus de vruchten plukte van de kapitaals- en arbeidsaanwending der eigenaars en gebruikers van den plichtigen grond, zonder zich zelf tot eenige opoffering genoodzaakt te zien. Werd bij bodemverbetering de landeigenaar door dezen onredelijken druk van het tiendrecht op elke bruto-vermeerdering van den oogst zwaar getroffen, de toestand werd nog bezwarender, toen het later, in de periode van cultuur verbetering, voornamelijk de landgebruikers waren, die er onder gebukt gingen.

Dat deze consequentie van het tiendrecht eene zeer nadeelige uitwerking op het landbouwbedrijf moet uitoefenen, zal na het voorgaande wel haast geen betoog meer behoeven.

In menigen polder worden de ingelanden weerhouden van eene verbetering van den waterafvoer, van wegen enz. door de bedenking, dat de vergoeding voor de onkosten, die zij zich zouden getroosten, niet ten volle door hen zou worden genoten, omdat ze voor een deel aan de tiendheffers ten goede zou komen. En waar onder normale omstandigheden betere bezaaiing of bemesting voor den grondgebruiker een klein voordeel zoude opleveren, blijft de verbetering achterwege, doordien ten gevolge van het tiendrecht dit voordeel verloren zoude gaan. Zoo wordt menige verbetering van den bodem, menige verbetering der cultuur door de belanghebbenden nagelaten op grond van overwegingen,

aan het tiendrecht ontleend.

Behalve het hierboven ontwikkelde nadeel, zeker wel het gewichtigste dat het tiendrecht aankleeft, zijn er nog andere, die, hoezeer niet van zóó groote beteekenis, toch

nog altyd van belang zijn.

De verplichting om met het binnenhalen van den oogst een zekeren tijd te wachten,

Sluiten