Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten einde den vooraf behoorlijk gewaarschuwden heffer in de gelegenheid te stellen zijn aandeel intezamelen, kan bij ongunstig oogstweder soms groote verliezen veroorzaken. Bij de keuze der te teelen gewassen is de landbouwer niet geheel vrij, omdat niet voor alle vruchten het als tiend optebrengen evenredig aandeel of de vervangende geldsom gelijk is, en dit somtijds nog kan verschillen, naarmate tot éénzelfde bedrijf behoorende gronden in meer dan één polder of in meer dan één tiendklamp liggen. Zoo kan als voorbeeld genoemd worden eene hoeve, waar, afhankelijk van de ligging, de tiend van de ééne hectare koolzaad in sommige jaren ruim acht maal zooveel zoude hebben opgebracht als die van de andere.

De Commissie is overtuigd dat de opsomming der oeconomische nadeelen van het tiendrecht grooter zoude kunnen zijn; zij meent echter door het voorgaande reeds genoegzaam te hebben aangetoond, lioe bezwarend en belemmerend het tiendrecht op de ontwikkeling van het landbouwbedrijf werkt. Alleen stelt de Commissie er prijs op, ten slotte ernstig de aandacht te vestigen op het groote moreele nadeel, dat onder den gezamenlijken invloed van alle opgenoemde bezwaren, door de uitoefening van het tiendrecht voor onzen landbouwenden stand wordt teweeggebracht.

Die bezwaren toch hebben bij hen, die onder den toenemenden druk daarvan verkeeren, allengs eene ontstemming en eene ergernis aangekweekt, die zich ieder jaar op nieuw hier en daar uiten in een verzet tegen de tiendheffing, een verzet, dat, hoe betreurenswaardig en weinig verdedigbaar het op zich zelf moge zijn, toch wel zyne verklaring vindt in het stuitende, dat er in gelegen is, om een ander van den arbeid en de onkosten, die men zelf aanwendt, de vruchten te zien plukken.

Waarlijk het is niet te verwonderen, dat er in den loop des tijds door den wetgever in Nederland voorschriften zijn gegeven, ten doel hebbende om de nadeelige gevolgen op te heffen van eene grondschuldplichtigheid, wier eigenaardige strekking zóó weinig meer strookt met onze tegenwoordige rechtsopvattingen.

Eene algeheele afschaffing der tienden beoogde reeds art. 25 der Staatsregeling van 1798, onder meer bepalende, dat alle tiendrechten voor altijd vervallen werden verklaard. Daar het echter niet in de bedoeling lag de afschaffing der in het aangehaalde artikel vermelde rechten zonder schadeloosstelling te doen geschieden, en het nooit tot eene regeling dier schadeloosstelling gekomen is, heeft het voorschrift der Staatsregeling naar de algemeene opvatting geene gevolgen gehad.

Onder de Fransche overheersching verscheen een alleszins - belangrijk Keizerlijk Decreet van 22 Januari 1813, waarin de tienden worden beschouwd als grondrenten, welke aan afkoop onderhevig zijn. Dit Decreet werd bij Souverein Besluit van 22 October 1814 (Stbl. No. 103) weder ingetrokken Op de twistvragen integaan, waartoe zoowel het Decreet zelf als de intrekking ervan aanleiding hebben gegeven, zoude de Commissie te ver voeren. Alleen zij opgemerkt dat velen hebben gemeend, dat het Decreet de slapende en novale tienden beoogde afteschaffen, terwijl de intrekking ervan meermalen als ongeldig is beschouwd, omdat de Souvereine Vorst de bevoegdheid miste, het Decreet bij Souverein Besluit afteschaffen, dewijl het hier een onderwerp van

Sluiten