Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

burgerlijk recht gold, dat volgens de Grondwet van 1814 in overleg met de Staten-Generaal had behooren te worden geregeld.

In latere jaren heeft de wetgever steeds getracht de opheffing van den tiendlast te bevorderen door de tienden afkoopbaar te stellen op vordering der plichtigen.

Hield reeds het Burgerlijk Wetboek daaromtrent bepalingen in, voor zooveel het betrof tienden, na het in werking treden van dat Wetboek gevestigd (zie artt. 798 vgl. B. W.), elf jaar later, in 1849, verscheen eene wet in het Staatsblad, waarbij de tienden van het Staatsdomein, welke vóór 1838 gevestigd waren, afkoopbaar gesteld werden. En in 1865 werd hetzelfde bepaald ten aanzien der tienden van het Kroondomein, waarop de voorschriften van het Burgerlijk Wetboek niet toepasselijk waren. Beide wetten werden in 1872 afgeschaft en vervangen door de algemeene wet van den 12den April van dat jaar, (Staatsblad No. 25), houdende de afkoopbaarstelling van alle vóór de invoering van het Burgerlijk Wetboek gevestigde tienden, onverschillig wie daartoe gerechtigd mocht zijn. Deze wet is tot op den huidigen dag ongewijzigd blijven voortbestaan Haar bepalingen vinden bij ongeveer alle afkoopen toepassing, aangezien er bijna geene tienden zijn, die van na de invoering van het Burgerlijk Wetboek dagteekenen.

Heeft nu de wet van 1872 het doel bereikt dat men er mede beoogde? Heeft zij het landbouwbedrijf ontheven van den druk, die er door het tiendrecht opgelegd werd?

Het antwoord luidt ontkennend. Het resultaat is geheel onvoldoende geweest. De reeds aangehaalde cijfers van het totaal der opbrengsten van de in 1898 geregistreerde tiendverpachtingen — ƒ 765.344 aan veldvruchten, ƒ 3182 aan krijtende tienden — leveren het bewijs, hoe zwaar het tiendrecht nog op den landbouw drukt. En dat, terwijl het juist de laatste tientallen van jaren zyn, waarin bodem- en cultuurverbetering zulk eene groote vlucht namen en de behoefte aan ontheffing van den onredelijken tiendlast zich sterker dan ooit deed gevoelen.

Wel werden verscheidene tienden afgekocht. Raadpleegt men de „Jaarcijfers voor het Koninkrijk der Nederlanden", verschenen tot en met 1899, en de Staatscourant van 3 Juli 1901, No. 152, waarin een staat van afkoop van tienden over 1900 is opgenomen, dan verkrijgt men bij optelling, dat sinds het in werking treden der wet van 1872, in het geheel aan tienden is afgekocht voor eeno kapitaalswaarde van te zamen ƒ 9.438,960. Oogenschijnlijk een aanzienlijk bedrag. Doch bedenkt men dat van dit bedrag voor meer dan 71/i millioen (ƒ 7.543.473) gulden alléén over de eerste tien jaren na het in werking treden der wet is afgekocht, zoodat voor de laatste twintig jaar een bedrag van nog geen twee millioen (/ 1.895.487) gulden overschiet, en vergelijkt men verder het bedrag der afgekochte tienden met dat der thans nog bestaande — het cijfer der in 1898 geregistreerde tiendverpachtingen, berekend naar den penning twintig (den afkoopprijs, in de wet van 1872 voorgeschreven) levert alléén reeds een bedrag van ruim vijftien millioen (ƒ 15.370.520) guldenJ) op — dan komt men tot de gevolgtrekking, dat de wetgever

J) Het spreekt vanzelf, dat men aan dit bedrag niet at te zeer moet vasthouden. Sedert 1898 is voor ƒ 379.562 aan tienden afgekocht; aan den anderen kant zijn de in natura geheven en ondershands of voor meerdere jaren verpachte tienden niet medeberekend, en zijn de marktprijzen van 1898 in aanmerking genomen.

Sluiten