Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vorderen kan op een oogenblik, dat de plichtige het daarvoor benoodigde kapitaal niet bezit. De ongunstige jaren, die onze landbouw heeft doorgemaakt, hebben reeds te veel van de draagkracht der plichtige landeigenaren en gebruikers gevergd, dan dat men hen thans zoude mogen blootstellen aan «j«vn.or. vai> era tiendafkoop op vordering der heffers.

Het laatstgenoemde bezwaar nu — gebrek aan kapitaal bij de plichtigen — bestaat niet tegen wederkeerigheid, wanneer men haar zoude willen toepassen in het stelsel van conversie der tienden in grondrenten. Intusschen heeft de Tweede Kamer der StatenGeneraal, bij gelegenheid der wetsvoorstellen, welke de Heer Mr. B. W. L. A. Baron Sloet, gebruik makende van het parlementair initiatief, in de jaren 1855 en volgende aan de Tweede Kamer heeft aangeboden, zich in hooge mate afkeerig betoond van de verwisseling der tienden in grondrenten op vordering van heffers en plichtigen.

De groote moeilijkheid, welke aan iedere conversie van tienden in grondrenten onafscheidelijk is verbonden, en onze volksvertegenwoordiging dan ook aan afkoopbaarstelling der oude tienden verre de voorkeur deed geven, is voornamelijk hierin gelegen, dat de rechten van den bloktiendheffer er op schromelijke wijze door worden verkort. Want waar deze vroeger eene pachtsom in ééns voor alle in het blok gelegen tienden ontving, daar zullen na de conversie der tienden de aan hem verschuldigde grondrenten zich dikwijls splitsen in vele uiterst geringe bedragen — wellicht van kwartjes en dubbeltjes — waarvan de inning zeer bezwaarlijk zijn zal, terwijl bij wanbetaling de hooge kosten in menig geval den rechthebbende van rechtsmiddelen zullen weerhouden. Den heffer van massale tienden treft hetzelfde nadeel.

Met het oog op een en ander kwam het der Commissie voor dat, ook van eene conversie der tienden in grondrenten op vordering van heffers en plichtigen, geene afdoende bevrijding van den tienddruk voor den Nederlandschen bodem was te verwachten. Dat de tiendheffers, met name de bloktiendheffers, geen gebruik zouden maken van de hun geschonken bevoegdheid tot conversie, behoeft 11a het boven opgemerkte geene nadere verklaring. En wat de plichtigen betreft, zij de volgende uitwijding haar veroorloofd.

Tegenover de heffers brengt de billijkheid mede, dat de bloktienden slechts in hun geheel kunnen worden geconverteerd, want anders zouden deze tienden niet meer als één geheel zijn te verpachten. Van sommige akkers toch zoude grondrente, van anderen tiend in natura moeten worden geheven, wat dubbele kosten van inning tengevolge zoude hebben, terwijl het meestal de beste stukken zouden zijn, waarvan de tiend geconverteerd werd, zoodat de overblijvende tienden dikwijls zoo goed als waardeloos wezen zouden. Waarlijk, de nadeelen aan eene conversie van het blok in zijn geheel verbonden, zijn, gelijk boven werd ontwikkeld, voor de heffers reeds drukkend genoeg.

Nu rijst de vraag: behoort aan iederen plichtige het recht toe te komen, de conversie van het gansche blok te vorderen ? De Commissie meende die vraag ontkennend te moeten beantwoorden. Terecht toch heeft men vroeger reeds het onbillijk geacht dat één plichtige zijne medeschuldplichtigen zoude kunnen dwingen tot eene conversie, die hun, om welke redenen dan ook, wellicht niet gewenscht voorkomt. "Vandaar dat de conversie van den bloktiend niet anders dan door een betrekkelijk genoegzaam aantal belanghebbenden zou kunnen worden geëischt, b.v. gelijk in het tweede ontwerp van

Sluiten