Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Heer Sloet werd voorgesteld, door de plichtigen, die te zamen de grootere helft der tiendplichtige gronden in het blok bezitten.

Evenals bij den afkoop, gelijk die door de wet van 1872 is geregeld, zou zich dus ook bij eene conversie op vordering van heffers en plichtigen de groote moeilijkheid tot het verkrijgen van de samenwerking der plichtigen doen gevoelen, en evenmin van hen als van de heffers zou derhalve zijn te verwachten, dat zij van de hun verleende bevoegdheid tot conversie veel gebruik zouden maken.

Eene transactie tusschen het stelsel van afkoopbaarstelling en dat van conversie der tienden op vordering van heffers en plichtigen ware: afkoopbaarstelling op vordering der plichtigen en conversie op vordering der heffers gelijktijdig toe te laten.

Maar zoodanige transactie zoude, zoo men een perceelsgewijze afkoop der bloktienden aan de plichtigen toestond, veel te onvoordeelig zyn voor de heffers. Dan toch zouden dezen blootgesteld zyn aan een gedeeltelijken afkoop hunner bloktienden, of moeten overgaan tot eene verwisseling dier tienden in een aantal dikwijls kleine grondrenten; twee kwaden, voor do keuze waarvan zy niet mogen gesteld worden. En stond men den afkoop aan de plichtigen niet anders toe dan van het geheele blok, dan ware, op grond van de moeilijk te verkrygen samenwerking der plichtigen, van hunnen kant geene beteekenende tienddelging te verwachten, waartoe intusschen ook de heffers niet licht zouden overgaan, met het oog op de nadeelen, aan eene conversie voor hen verbonden.

Uit de bovenstaande beschouwingen volgt, dat geen van alle opgenoemde middelen boven de thans geldende regeling de voorkeur verdient. Perceelsgewijze afkoop aan de plichtigen toetestaan zoude te onbillijk werken tegenover de heffers; de bevoegdheid tot afkoop ook aan de heffers te verleenen ware te bezwarend voor de plichtigen; conversie toetelaten op vordering van heffers en plichtigen zoude de heffers te zeer benadeelen en bovendien geene genoegzame tienddelging ten gevolge hebben; terwijl eindelijk een stelsel van afkoop op vordering der plichtigen en conversie op vordering der heffers, öf voor laatstgenoemden te onvoordeelig zoude zijn, of geene voldoende resultaten zoude opleveren.

Bestaat er dan geen middel om den Nederlandschen bodem van den drukkenden tiendlast te bevrijden? Moet de geheel onvoldoende wet van 1872 als het laatste woord

in deze materie worden beschouwd?

Gelukkig neen. Naar het oordeel der Commissie is eene alleszins bevredigende oplossing van het tiendvraagstuk te vinden en wel, door van overheidswege alle tienden tegelijk afteschaffen. Het denkbeeld om door Staatstusschenkomst tot eene algemeene tienddelding te geraken, is niet nieuw. Krachtig is daartoe in latere jaren opgewekt door den Heer G. A. M. Groeneveldt in een tweetal opstellen, voorkomende in het Nederlandscli Landbouwioeekblad van 1894 no. 9 en no. 26. Een jaar latei, op het 48° Nederlandsch Landhuishoudkundig Congres te Dordrecht, vond de geachte schrijver gelegenheid zyne denkbeelden omtrent de ten deze te verleenen Staatstusschenkomst nader te ontwikkelen, en mocht hij de voldoening smaken, dat na de door hem gehouden inleiding het Congres met op drie na algemeene stemmen de conclusie goedkeurde, dat de

Sluiten