Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ontwerp eener Wet tot Afschaffing der Tienden.

INLEIDENDE BEPALINGEN.

Art. 1. Iedere hier te lande bij het in werking treden dezer wet nog bestaande tiendplichtigheid wordt op dat tijdstip, overeenkomstig de bepalingen van deze wet, opgeheven en vervangen door eene grondrente ten behoeve van het Rijk, dat degenen, van wie blijkt dat zij bij het in werking treden dezer wet nog tót eenige tiendheffing gerechtigd zijn geweest, schadeloos stelt op den voet en de wijze, als hieronder is bepaald.

Art. 2. Onder tiendplichtigheid verstaat deze wet elke als zakelijke last op onroerend goed rustende schuldplichtigheid, hetzij eener evenredige hoeveelheid van daarop gekweekte vruchten of geteelde jongen van dieren, hetzij eener daarvoor in de plaats getreden waarde in geld.

HOOFDSTUK I.

VAN DE SCHADELOOSSTELLING.

Art. 3. De schadeloosstelling, welke wegens het vervallen van eenig recht tot tiendheffing krachtens het bepaalde in art. 1 dezer wet van rijkswege wordt uitgekeerd, bedraagt het twintigvoud van de zuivere opbrengst in geld, welke gemiddeld jaarlijks daarvan anders nog ware te verwachten, verhoogd met eene jaarlijksche rente van 4 püt. voor den tijd, verloopen tusschen het in werking treden dezer wet en den dag, waarop de schadeloosstelling opeischbaar is.

Art. 4. De van eenig door het in werking treden dezer wet opgeheven tiendrecht, gemiddeld jaarlijks, anders nog te verwachten, zuivere opbrengst aan geld en het daarvan afhankelyk bedrag der deswege uittekeeren schadeloosstelling worden, voor elk der verschillende tot dusver tiendplichtige kadastrale perceelen afzonderlijk, vastgesteld met inachtneming der volgende bepalingen.

Sluiten